Mijn innerlijke strijd met mijn homoseksualiteit: Een monoloog van begin tot eind

Homo als scheldwoord

Homo’s

werd gezegd wanneer jongens zich dom gedroegen. Met dom bedoel ik: kleine jongens die stoer deden, waardoor de andere kleine jongens zich beledigd voelden. Met homo bedoel ik: een erg scheldwoord. Als basisscholier, was ik er passief van overtuigd dat homo een erg iets was, in ieder geval een scheldwoord. 

Of het kwam van een ziekte of van iets heel anders, dat wist ik niet. Bovendien boeide het me ook niet, net zo min mij het boeide waar tering vandaan kwam, wat we overigens leerde bij geschiedenis, waarschijnlijk ergens in groep zeven. Wat een homo was wist ik toen inmiddels wel, de Olympische Winterspelen werden toen in Rusland gehouden en mijn meester vertelde dat dit niet gunstig was voor de homoseksuele kandidaten. Een homo was iemand die op hetzelfde geslacht viel. Ik wist dit nu, en wist dat dit ‘anders’ was. 

En ja, het klopt dat taal werkelijk van invloed is. Je wil niet hetgeen zijn waarvan de betekenis ‘vies’ is; hetgeen zijn dat afkeer veroorzaakt bij je klasgenoten, waarvan meer dan de helft collectief tijdens de godsdienstles – ondanks de verschillen in religie –  overeenstemt dat homoseksualiteit niet kan – het eens zijn met elkaar ondanks de verschillen, wat mooi! 

Hoe mensen niet naar uitwerpselen willen kijken, het gevoel van weerstand dat dat oproept, zo gedroegen een groot aantal medescholieren zich als ze een flamboyante homoseksuele man zagen – en zelfs toen twee vrouwen naast elkaar in bed gingen slapen in een film die we op school keken. Het had niet eens homoseksuele implicaties, er werd een vriendschap geportretteerd, maar als je angst hebt omdat je omgeving van je zou walgen, moet je hard meeschreeuwen met woorden van afkeer om duidelijk te maken dat jij niet de walging zelve bent.

Mannelijk?

Niet dat ik meeschreeuwde. Gelukkig zorgde dit niet voor een verdenking van een vieze lesbienne zijn. Ik hoorde van mijn vriendinnen: ‘Ik kan jou niet voorstellen met een jongen! Ben je aseksueel? Het zou wel kunnen.’ Niet dat ik het vreemd vond dat ze dit zeiden; ik deed niks om er ‘aantrekkelijk’ uit te zien (daarmee bedoel ik niet dat aseksuelen niet aantrekkelijk zijn, maar ik deed geen moeite mensen tot mij te trekken). En het was niet zo alsof ik me gewoon al comfortabel voelde in hoe ik er toen uitzag, maar omdat ik onbewust had geleerd dat vrouwelijkheid voor de mannelijke blik was. En mooi zijn voor een man, dat wilde ik niet. 

Ik kleedde mij niet per se heel ‘jongensachtig’, maar soms wel. Alsnog voelde ik mij niet comfortabel, want een mannelijk uiterlijk, dat is dus niet aantrekkelijk voor de man, en helaas, onbewust en onopzettelijk, leer je toch dat dat jou grotendeels definieert als vrouw. En instinctief gaf ik daar om; ik was beroofd van mijn vrouwelijkheid door mijn homoseksualiteit. 

Pride, in de kast zitten en zelfacceptatie

Kleden voor een vrouw deed ik ook niet, want ik zat diep in de kast, en was niet gelukkig. Ik kon mijzelf een lange tijd niet accepteren. 

Je hoort wel eens mensen zeggen dat het niet meer nodig is nu uit de kast te komen, of dat Pride niet nodig is want: ‘Je hoeft toch niet aan de wereld aan te kondigen met wie je naar bed gaat?!’
Ik moet toegeven dat ik dit vooral hoor wanneer ik Amerikaanse content bekijk waar conservatieven en liberalen debatteren, wat een guilty pleasure voor mij is omdat de frustratie die het opwekt mij een adrenaline rush geeft die ik kan uiten door de video te pauzeren en in mijn hoofd mijn standpunten te vocaliseren. Het compenseert voor het niet kunnen debatteren in het echt. Deels veroorzaakt doordat ik mezelf had opgesloten in de kast voor een aantal jaar en persoonlijke meningen niet deelde in het geval dat er per ongeluk iets gays uit mijn mond kwam – en deels veroorzaakt door Hindostaan zijn. 

Maar om terug te komen op het onderwerp van aankondigen met wie je slaapt; deze mensen hebben niet door wat er omgaat achter de gesloten deuren van de kast, achter het masker dat je automatisch opdeed als Hindostaans meisje toen je een lesbisch koppel op televisie zag en iets voelde, maar leerde om niet te delen wie je echt bent.

Nu, aan het einde van de dag, is lesbisch zijn niet per se iets bijzonders voor mij. Maar voor mijn 14 jarige zelf, was het een dagelijkse nachtmerrie, en ik overdrijf dit niet, ondanks dat ik ja in generatie Z geboren ben, en ja in een westers land woon. Ja, zelfs dan kan het zijn dat homofobie een dagelijkse omstandigheid is in je omgeving, waar leraren op mijn middelbare school overigens niks aan deden. Maar godverdomme zeggen? Op school? O wee.

Onzekerheid

Tot op de dag van vandaag heb ik er erg veel moeite mee wanneer ik mijzelf tussen een groep meiden bevind die hebben besloten om over hun heteroseksuele tinderdates te praten. Wanneer iedereen meedoet, en ik niet, ben ik bang dat iemand mij een vraag gaat stellen. Over mijn liefdesleven, over mijn ervaringen. Voordat dit plaatsvindt begint mijn hart al snel in mijn keel te bonzen. Mijn lichaam ervaart een gevoel van angst. Mijn onderbewuste schaamt zich om zo iets onbenulligs. Want zei ik niet net, dat het er voor mij niet meer toe doet dat ik lesbisch ben? Dat het aan het einde van de dag niets betekent? Waarom is het zo, dat het er voor mijzelf alleen toe doet, wanneer ik er angst door ervaar? Wanneer ik mij schaam, zo erg schaam, dat ik neig te liegen? 

Ik begin alvast, voordat iemand zich überhaupt afvraagt op wat voor jongens ik nou wel niet zou vallen, te internaliseren dat ik vanaf nu als mannelijk word gezien door deze meiden. Dat zij allemaal collectief denken dat ik geen vrouwelijkheid bezit, want op vrouwen vallen is – natuurlijk –  een mannelijke begeerte. Wat enorm mannelijk van mij, dat ik van de bloemetjes- en vlindermotieven houd op de topjes van mijn vriendin. Waarom het vallen op het ene geslacht mannelijk is en op het ander vrouwlijk? – ik begrijp waar dat vandaan komt, maar logisch is het niet. Maar logisch is mijn manier van denken ook niet, ik word constant geleid door mijn emoties, en in dit soort gevallen door mijn angst.

Uiteindelijk behandelden veel van mijn vriendinnen mij hetzelfde na de kleine coming-outs. En veel middagen in de tram hoor ik nog steeds K*****homo als een vluchtige, alledaagse opmerking in gesprekken op de achtergrond.

Microaggressions

Een ander gedeelte van mijn ‘vriendinnen’ (oud-studiegenoten, collega’s), vinden het wel moeilijk te bevatten dat er bijvoorbeeld lesbische vrouwen zijn die, ja, niet schrikken, kinderen zouden willen (niet dat ik een van hen ben, voor nu). Nadat ze vragen of ik mezelf als moeder zou zien, verbeteren ze zichzelf als de bliksem met: ‘Oh laat maar! Jij bent lesbisch’. Of, vrienden die enthousiast met mij delen dat toen ik hen appte terwijl zij met gezelschap waren, ze plezierig aankondigden: ‘Mijn lesbische vriendin appt!’, omdat ze het grappig vinden dat te delen. 

Dit maakt mij niet boos of zo, maar ik vind het jammer dat het er zo toe doet, dat ik mij aangetrokken voel tot vrouwen. Het doet er voor sommigen meer toe dan dat het mij persoonlijk boeit. Weet: ik heb nu alleen maar een super klein aantal van de safe for work opmerkingen benoemd die ik heb gekregen.

Ook irritant: wanneer het resulaat van jarenlang in de kast worstelen met je zelfbeeld en toch de moed bijeenhalen om voor je ware zelf uit te komen in de momenten van angst, veroorzaakt door iets zo banaals als kletsen met meiden die toevallig hetero zijn, is: ‘Ik wou dat ik lesbisch was! Het zou zoveel makkelijker zijn.’

Voor diegenen: wees dan een – ik kan het woord trouwens nog steeds niet uitspreken, het blijft aversie oproepen – lesbie! 

Over Mia:

Met veel plezier ben ik lid van de redactie van Hindostaans & Queer. Ik hoop een waardevolle bijdrage te leveren met columns over mijn perspectief en ervaringen als Hindostaanse lesbische vrouw, waardoor, ondanks de intersectionele identiteiten die ik als redactielid en jij als lezer kan hebben, de zichtbaarheid van alledaagse en universele queer ervaringen zal worden vergroot. Ik hoop dat mensen zich kunnen relateren aan mijn ervaringen en zich minder alleen voelen.

Hindostaans, Queer en Islamitisch – Deel 2

Heb jij de hel weleens vorm moeten geven? Het is een behoorlijke klus kan ik je vertellen.
De informatie die ik over deze plek kon vinden was ronduit beangstigend. Eerst vergeleek ik de islamitische opvattingen met de christelijke perspectieven. Zou er echt vuur zijn? Zouden demonen echt zijn? Is het waar dat Gado (Sranan voor God) een engel verloor en dat deze engel zijn eigen weg ging? Voor het hindoeïsme was binnen mijn gezin geen plek. Ook het hindoeïsme was taboe. Nog zoiets geks, want als Gado een synoniem is voor Al Wat Is, waarom zouden andere invullingen van het aardse leven dan taboe zijn? Ik bleef een aantal jaar ronddwalen in de overtuiging dat ik naar de hel zou gaan – ook al had ik ‘m nog niet helemaal vormgegeven. 

In groep 8 werd ik geout door twee Hindostaanse klasgenoten. Mijn juf vond het blijkbaar ook een goed idee om dit klassikaal te bespreken. Ik schaamde me dood. Wist ik veel wat de norm was, dat ik er blijkbaar van afweek en dat pesten beloond werd met klassikale vernedering. De basisschool was een hel. Ik maakte al vroeg kennis met ‘de onderdrukker’. That sucks! Ik kon het namelijk niet in deze woorden beschrijven, daar was ik te jong voor. Maar ik wist het, intuïtief. Onbewust wende ik aan het gevoel van anders zijn. Of het op school, op straat of in mijn gezin was – anderen maakten mij tot ‘anders dan hen’. Soms leidde dat tot populariteit, zoals op de middelbare school. Maar vaak was het anders zijn een negatief beladen identiteit die mij werd aangemeten door mijn omgeving. 

Zoals vaker gebeurt met overtuigingen die mij niet dienen, kwam er ook hier een punt waarop ik flarden van een ander gezichtspunt waarnam. Het voelde in het begin wat onwennig. Ik drukte het weg. Het kwam weer terug. Ik drukte het weg, het werd groter. Mijn bewustzijn en daarmee wereldbeeld groeiden ook. Langzaamaan begon het me te dagen. Ik ben de auteur van mijn leven. Ik kan zelf kiezen voor een (levens)overtuiging. Eentje waarin er plek is voor (nagenoeg) iedereen. In plaats van ‘godvrezendheid’ te verheerlijken en een hel vorm te geven in mijn hoofd, verzamelde ik gestaag puzzelstukjes die zouden leiden naar een beeld van mijn Al Wat Is. Door ontiegelijk hard te werken is mijn wereldbeeld almost all-inclusive geworden.

Ik pakte enkel de ‘richtingaanwijzers’ waar ik mee resoneerde, zoals Sabr en Shukr. Dat doe ik nog steeds. Mijn zoekradius reikt nu tot aan andere stelsels en maatschappijen (daarover een andere keer meer). Het is een lange weg geweest tot hier. Inmiddels heb ik ‘de hel’, ‘demonen’ en andere fearbased-concepten vrijwel volledig overboord gekiept. For what it’s worth: niet de religie(s) hebben mij schade toegebracht, wel de menselijke invulling, interpretatie en het handelen dat daaruit voortvloeit. 

To be continued… I promise.

Warme groet, 

Firie

Over de auteur: Firie is mijn pseudoniem. For what it’s worth: mijn voornaamwoorden zijn zij/haar.
Door de aard van de column voel ik mij fijner bij een naam die bij de meeste lezers geen belletje zal doen rinkelen. ‘Firie’ betekent in het Sranantongo: ‘gevoel’. Het gevoel is onze krachtigste tool, vandaar.  

De fluwelen woede in mij: mijn reis naar authenticiteit binnen een Hindostaanse familie

De fluwelen woede in mij: mijn reis naar authenticiteit binnen een Hindostaanse familie

Deel 1: Verstrikt in Schaamte

Het is geen geheim dat de weg naar zelfacceptatie als gay man in een Hindostaanse familie pijnlijk en complex kan zijn. Ik las recentelijk het boek ‘Fluwelen Woede’ van Alan Downs, waarin hij het drietrapsmodel beschrijft dat vrijwel al zijn mannelijke gay patiënten hebben doorlopen:

  1. De fase waarin je overweldigd bent door schaamte
  2. De fase waarin je de schaamte probeert te compenseren
  3. De fase waarin je je authenticiteit vindt

Het doel van het boek is ‘om homoseksuele mannen te helpen deze derde fase van authenticiteit te bereiken’. In dit artikel wil ik dieper ingaan op de eerste fase van dit model, namelijk de fase van overweldigende schaamte. Ik wil mijn eigen ervaringen delen en de impact van schaamte onderzoeken tijdens mijn reis naar authenticiteit binnen mijn Hindostaanse familie.

De Eerste Fase: Overweldigende Schaamte

Als jonge gay man voelde ik me gevangen in schaamte. De normen en verwachtingen van mijn Hindostaanse familie en cultuur creëerden een omgeving waarin mijn geaardheid als taboe werd beschouwd. Ik ervaarde een druk om aan de traditionele genderrollen te voldoen. Ik voelde me anders en afwijkend. Al op een hele vroege leeftijd, alleen toen wist ik nog niet waarom. Later natuurlijk wel, toen ik gevoelens kreeg voor jongens. Maar de schaamte verlamde me en belemmerde om mijzelf te kunnen accepteren.

Mijn Hindostaanse familie

Ik voelde me ook niet gezien door mijn familie. En dan heb ik het over mijn ouders, mijn zus en mijn hele familie met wie ik omging. Ze zagen niet dat ik het zo moeilijk had. De heteronormatieve verwachtingen van mijn familie zorgden er juist voor dat ik nog dieper de kast in ging. Downs beschrijft ook in zijn boek, dat wat tegen de norm ingaat wordt verzwegen, opgekropt en onderdrukt uit angst voor wat anderen ervan zullen denken. Het draagt niet bij aan de acceptatie en zorgt er zelfs voor dat in de eerste fase de jongeman zijn gay-zijn gaat ontkennen. En dat hij de overtuiging verankert dat hij diep in zijn kern niet deugt en geen liefde waard is. De angst voor afwijzing door onze ouders resulteerde in onze overtuiging:

‘Er was iets aan ons wat walgelijk en afwijkend was, en het was onmogelijk om van ons te houden’ (blz. 21).’

Ja, dit is wat ik ervaarde. Zelfs toen ik uit de kast kwam naar mijn ouders en zus toe op mijn 18e, werd mijn geaardheid verzwegen en onderdrukt. Want de bekende Hindostaanse zin: ‘wat zullen anderen ervan zeggen’ heerste natuurlijk ook hier. Ze schaamden zich voor mij en de onthulling van mijn geaardheid zou hun reputatie schaden binnen de familie. Tenminste, zo voelde dat denk ik voor hen. 

Splitsen

Eén van de termen die Alan Downs beschrijft is splitsen’. Wanneer we splitsen, is wie we echt zijn en wat we voor onszelf willen, anders is dan wat we aan de wereld laten zien. Down beschrijft dat dit resulteert in zelfontkenning en het verbergen van je authentieke zelf. Dat we boos zijn op onszelf en dat we overweldigd worden door schaamte. We geloven dat een deel van onszelf verkeerd is en dat de seksuele identiteit slecht en gevaarlijk is. 

Voor mij resulteerde dit in dat ik altijd een heteroseksuele masker droeg en niet mezelf kon zijn. Dat ik mijn schaamte begon te onderdrukken door te blowen en veel te drinken. Ik raakte eraan verslaafd en schaamde me ook hiervoor en kwam in een vicieuze cirkel terecht. Ook daten met mannen deed ik stiekem, zo leefde ik jarenlang in twee werelden. Ik was mezelf aan het splitsen.

Ik wilde er alles aan doen om mezelf te veranderen. Toen ik ongeveer 20 jaar was kwam ik op internet terecht bij een organisatie die aan homogenezing deed, stichting Different. Deze ‘therapie’ sessies werden zelfs vergoed door de zorgverzekeraar. Ik dacht uiteindelijk iets gevonden te hebben waardoor ik hetero zou kunnen worden en wat zou leiden tot acceptatie van anderen. In feite ging ik op deze manier nog dieper de kast in en versterkte het mijn gevoel dat ik niet goed genoeg was. Na een aantal sessies kwam ik erachter dat ik hier nog on-gelukkiger van werd en stopte ik met de sessies.

De rol van de vader

De woorden van Alan Downs raken mij wanneer hij vraagt: 

‘Dus waar waren onze vaders toen dit plaatsvond? Waarom zijn ze ons niet te hulp gekomen en hebben ze ons niet geleerd dat man-zijn begint met eerlijk te zijn over jezelf? Waarom konden ze ons dilemma, de angst in onze ogen niet zien, ons bij de hand nemen en ons leren hoe we de angst tot bedaren kunnen brengen en van onszelf kunnen houden (blz. 23)?’

Deze vragen roepen een gevoel op van verlangen naar begeleiding en ondersteuning van vaderfiguren, naar de geruststelling dat we niet alleen zijn in onze worsteling. Het was een pijnlijke maar tegelijkertijd ook een bevrijdende ervaring toen ik realiseerde dat mijn vader (en moeder) ook gevangen zaten in culturele en sociale normen. Hij was niet in staat om mij te ondersteunen in het proces van zelfontdekking en acceptatie. Steun die zo belangrijk was geweest voor mij, maar die ik buiten mijn Hindostaanse familie heb moeten vinden.

Lees in mijn volgende twee artikelen de volgende fasen van het drietrapsmodel waar we dieper ingaan op het compenseren van schaamte en het cultiveren van authenticiteit. Deze fasen zijn heel belangrijk om verder te groeien en anderen te inspireren op hun eigen pad naar authenticiteit. 

Geschreven door Ashwin Ramadhin

Review bollywood film ‘Fire’ (1996)

Een vooruitstrevende film over twee schoonzussen

Toen ik erachter kwam dat de film Fire geregisseerd is door een Indo-Canadese vrouw, gaf het mij de doorslag om de film te bekijken. Iets in me zei, dat ik niet ieder half uur naar een zang- en dansspektakel zou hoeven kijken. Iets wat in Bollywoodfilms vaak het geval is. Fire is een erotische dramafilm uit 1996, die voor het eerst in de geschiedenis van de Indiase filmindustrie zo nadrukkelijk een lesbische relatie toont. Het verhaal is overigens niet iets nieuws, de vertelling is lichtelijk gebaseerd op het verhaal ‘Lihaaf’ dat in 1942 werd uitgebracht door de schrijfster Ismat Chugtai.

Het plot gaat over de twee schoonzussen Radha en Sita. Radha is de oudste van de twee en kan geen kinderen krijgen. Haar echtgenoot, die in de ban van een swami (hindoe leermeester) is, besluit dat zij daarom ook geen seks meer hoeven te hebben. Geslachtsgemeenschap heeft immers maar één doel en dat is voortbrengen van het nageslacht. Sita is de jongste van de twee schoonzussen en is waarschijnlijk daarom ruimdenkender. Ook zij heeft een ongelukkig huwelijk, omdat haar man eigenlijk verliefd is op een Aziatische vrouw en zijn lusten op haar botviert. Gevoed door frustraties, beginnen de schoonzussen een seksuele relatie met elkaar. 

Na het bekijken van het spektakel, kon ik maar één ding concluderen en dat is dat het een verrassend goede film is. Twee dingen die de film al anders maakt is dat het voor de maatstaven van Bollywood expliciete beelden toont. Ik kan me niet heugen dat ik eerder twee seksende Indiase vrouwen heb gezien. Maar wat deze film ook onderscheidt van andere films is dat de vrouwen uitgediepte personages hebben, waarbij ze praten over hun emoties en dromen. Hierdoor is het gemakkelijker voor anderen om zichzelf in de personages te herkennen. Ook worden zij niet neergezet als hulpeloze wezens. Zij nemen daarentegen juist het heft in eigen handen.

Queerzijn was ten tijde van de release van deze film nog een taboe in India. Dat is best gek, als je je bedenkt dat de Indiase cultuur voor de kolonisatie door de Britten, een derde gender kende. Bewijzen hiervan zijn terug te vinden in de geschriften en deze relaties zijn geïllustreerd in de Kamasutra. Als je ooit India hebt bezocht, dan heb je vast de versieringen op de tempels gezien, waarbij mensen seks met elkaar hebben. Ook mensen van hetzelfde geslacht zijn er te zien. 

Niet enkel werden destijds personen van het derde gender geaccepteerd, maar zij genoten soms zelfs van aanzien. Men dacht destijds dat zij speciale krachten bezaten en werden daarom vaak uitgenodigd bij geboortes en gebedsdiensten. Het is jammer om te zien dat een cultuur die ooit zo vooruitstrevend en ruimdenkend was, na 300 jaar kolonisatie terug in de tijd is geworpen.

Langzamerhand keert de mainstream acceptatie van het derde gender in India weer terug en wordt het stukje bij beetje meer getolereerd. Zo kun je bijvoorbeeld in sommige deelstaten kiezen uit drie geslachten om in je paspoort te registreren: man, vrouw of x. Maar dat wilt niet zeggen dat relaties met hetzelfde geslacht geaccepteerd worden. Er zit namelijk een verschil tussen het erkennen van een derde gender en het openlijk toestaan van relaties met hetzelfde geslacht. Dat is ook wat deze film toont: ook al is de cultuur bekend met een derde gender, dat betekent niet automatisch dat de lesbische relatie tussen Radha en Sita zal worden goedgekeurd.

Geschreven door Santoecha Rangai

Hindostaans, Queer en Islamitisch


Over de auteur:

Firie is mijn pseudoniem. For what it’s worth: mijn voornaamwoorden zijn zij/haar.
Door de aard van de column voel ik mij fijner bij een naam die bij de meeste lezers geen belletje zal doen rinkelen. ‘Firie’ betekent in het Sranantongo: ‘gevoel’. Het gevoel is onze krachtigste tool, vandaar.  

De Islam stond centraal in het gezin waar ik geboren ben. In de tijd dat ik opgroeide was er nauwelijks ruimte om kritische vragen te stellen over het geloof, laat staan om me ervan te distantiëren. Vol (existentiële) vragen keek ik om me heen, zoekend naar antwoorden op mijn levensvragen binnen andere religies. Gelijktijdig met deze ontwikkeling liep er een realiteit waarin ik er als puber achter kwam dat ik zowel meisjes als jongens interessant vond. Wat mij betreft was er niet zoveel aan de hand, de ontdekking voelde voor mij als doodnormaal. De echte shock zat in de reactie van mijn omgeving. Zij hadden het er vele malen moeilijker mee dan ikzelf. Ik was me niet echt bewust van de impact van mijn queer zijn – als Hindostaans meisje – op mijn naasten.

Natuurlijk voel je op een gegeven moment wel dat de wereld je als ‘anders’ ziet, maar om er als puber van uit te gaan dat je uitsluiting zult ervaren is eigenlijk best gek. Dus dat deed ik niet – maar ik voelde het wel. Ik voelde hoe enorm teleurgesteld mijn ouders waren, hoe het een wig dreef tussen hen. De spanning in ons gezin was sowieso al jaren voelbaar, maar nu werd het tastbaar. Mijn coming out op mijn 14e was olie op het vuur. Het was als een hele emmer vol druppels op een al veel te lang gloeiende plaat. En dus barstte de bom. Ik voelde me immens schuldig. Alsof ik de reden ben geweest van de scheiding. Van het uiteenvallen van ons gezin. De scheuren waren er al jaren, maar daar sprak niemand over. Nee, vooral niet die 35 roze olifanten in de kamer bespreekbaar maken, maar wachten, slikken, accepteren. Dat was de strategie, en volgens mij hanteren een hoop Hindostaanse gezinnen en families dit nog steeds.

Voor mij betekende dit dat ik moest liegen over waar ik heen ging, met wie en waarom. Maar liegen, dat wilde ik absoluut niet! Ik wilde open zijn, eerlijk zijn, transparant – waarden die mijn volwassen Ik heel hoog heeft zitten. En, let’s be honest: als puber zoek je de grenzen op. Je duwt en schopt tegen dingen aan om op deze wijze je eigen identiteit, je eigen Ik, te ontdekken. Bovendien is mij geleerd: al is een leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel. Dus… Ik wilde eerlijk zijn. And I was. Maar, mijn cultuur ook. De Hindostaanse cultuur, de islamitische cultuur, de straatcultuur – alle culturen leerden mij hetzelfde. Queer zijn is taboe. Op school, in de grote religies, binnen de familie. Alles en iedereen leek dezelfde kant op te wijzen: de hel. 

To be continued… I promise. 

Warme groet, 

Firie

Geen Afscheidskus maar een Knuffel

‘Jong en verliefd in een grote stad, we hebben echt veel geluk.’

Negen dagen samen. Jong en doelloos, maar die dag hadden we weer iets vervuld. Een dag gespendeerd in de stad. Dé stad. Den Haag. Het was rond een uur of zes. Ik moest bijna naar huis want aan mijn ouders had ik verteld op werk te zijn. Mijn shift was een uur geleden al afgelopen. ‘Ik moest overwerken’ herhaalde ik in mijn hoofd, zodat ik de zin thuis niet zou vergeten. We zaten op het voetstuk van een standbeeld te midden van het kruispunt van het drukke Spui van Den Haag. ‘Jong en verliefd in een grote stad, we hebben echt veel geluk’, zei mijn vriendin. De stad, Den Haag. Een stad waar een tiental mensen je in slechts acht uur van top tot teen bekijkt – eerst naar onze handen, die in elkaar verwikkeld zijn. Dan onze gezichten, één voor één. We worden opgenomen in hun passerende observatie, ingeprent in hun gedachten, ze vinden ons vies, denk ik, maar ons vermijden met hun ogen, zodat het brein de walging later niet zal terugroepen, doen ze niet – natuurlijk niet, ze moeten toch iets van een visueel voorbeeld hebben om hun haat aan te wakkeren wanneer nodig? Ook al weet ik niet zeker of dit de oorzaak, of uiting van hun haat is – dan weer naar onze handen, die ik op dit punt negen van de tien keer uit ongemak losmaak van elkaar.

Het waren niet alleen passerende blikken die we die dag kregen. We gingen schuin achter een vrouw zitten in de Dunkin’ Donuts. Net als toen we voor haar liepen en langs haar tafel heen, kregen we nu een gezicht te zien met hangende mondhoeken en wenkbrauwen vol spanning naar beneden. Een bewust boos gezicht dat mij in de ogen aankeek. Ik probeerde er niet op te letten. Niet veel later merkte ik toch op hoe ze de moeite had genomen om met gebogen nek en gezicht over haar schouder heen naar achteren te kijken met diezelfde smerige, afstotelijke blik terwijl ze staand haar tas aan het inpakken was, de half opgegeten donut terug in het doosje. Het was duidelijk dat ze haar eetlust kwijt was door ons. Blikken zijn we nu wel iets meer gewend, maar in deze eerste negen dagen van ons samenzijn was dat nog wennen – en dit was helemaal nieuw (een donut-etend wijf met zo een mismaakte blik hadden we namelijk nooit eerder gezien). Wenkbrauwen met zulke bochten naar beneden gekeerd dat ze afkeerwekkend waren. Ik snap dat ze haar eetlust kwijt was, mij bleef ook een onsmakelijk gevoel bij, na onze non-verbale interactie, mevrouw. Walgelijk. Walgelijk, toch? We hielden handen vast.

Begrijp me niet verkeerd – het was een aangename dag. Maar de blikken van afkeer die we kregen toegekeerd (in combinatie met de jongen onderweg naar het Filmhuis die tegen de lesbiennes zei ‘jullie zijn mooi, mag ik mee’, ondanks dat we blijkbaar een beetje lachwekkend waren) geeft mij altijd een onopzettelijk maar sterk gevoel van schaamte. Mij schamen voor haar liefhebben, mij schamen voor mijzelf, is een belediging naar ons beiden en de versies van onszelf die we na jaren in de miezerige duisternis van de puberteit (noem het de kast) hebben bereikt. Een tegenstrijdigheid die me na een tijd echt gek gaat maken, ben ik bang voor.

Een maand en negen dagen later zaten we in de avond in een restaurant. Wanneer de bediening langsloopt zijn we beste vriendinnen – dit is een standaardregel, we maken geen beginnersfouten meer. Dat is waar we het nieuws lazen over de man die op station Den Haag Centraal werd mishandeld vanwege zijn homoseksualiteit. Een gevoel van versteldheid overspoelde ons. ‘We moeten voorzichtiger zijn dan we denken’, zei ik tegen mijn vriendin. Als het niet erg laat is, maar wel donker, vind ik het stiekem het fijnst om handen vast te houden op openbare plekken. Er zijn minder mensen buiten en dat handen van hetzelfde geslacht in elkaar verwikkeld zijn valt minder op door de duisternis. Maar, dit was een avondje uit voor ons, net als voor de onbekende toegetakelde homoseksuele man in het artikel dat we net lazen. Misschien moeten we wat vaker in ‘bestie-modus’, besloten we toen. Onszelf beperken omdat homoseksualiteit, of openbaar liefhebben, gewelddadigheid oproept bij mensen met een brok in hun hart en overtuigingen waarvan niemand anders mag afwijken; er zijn namelijk gevolgen. Over de toegetakelde homoseksuele man en de daders van de mishandeling, lazen we nooit een vervolgbericht. Vergeten nieuws. Een naam in een artikel waarvoor je ver naar beneden moet scrollen (zijn naam bleef onbekend voor zijn eigen privacy, maar bij wijze van spreken).

De avond verliep veilig, we werden maar één keer aangesproken. Niet per se om onze geaardheid, want die weten we te verbergen, de man leek gewoon bezopen. Voordat mijn vriendin de trap afliep om naar haar ondergrondse tramhalte te gaan, belden we elkaar al. Dat is nu een standaard procedure voor ons als we laat naar huis gaan; we blijven aan de lijn. Net als de regel: geen afscheidskus maar een knuffel. Een lange omhelzing en daarna gelijk mijn oortjes in. Het donker kerkert mij niet, maar heeft me toch altijd een beetje benauwenis gegeven. De voormalige voordelen van samen zijn als de lucht zwart is zijn ons nu ontnomen. Door onze eigen verstandigheid – of door oneerlijkheid. We moeten voorzichtiger zijn dan we denken; bloeiende verliefdheid in een grote stad. Wat bitter. Maar als ik veilig op mijn deurmat sta en we blij op de avond reflecteren voordat we de call eindigen terwijl zij inmiddels ook al veilig haar kamer heeft bereikt, denk ik inderdaad: wat een geluk.

Geschreven door: Mia