Shirodj Raghoenath

Geïnterviewd door Maithili Bansie 

Beeld: Ashwari Akloe

Mijn naam is Shirodj Raghoenath. In het dagelijks leven gebruik ik de voornaamwoorden hij/hem. Ik heb ook een drag persona: Bipasha Tabu, en zij gebruikt zij/haar. Ik ben 33 jaar, kom uit Tilburg en identificeer mezelf als bi, pan of queer – in ieder geval val ik op meer dan één gender. Welk label ik gebruik hangt af van met wie ik praat. Bij de gemiddelde Nederlander zeg ik bi, omdat dat bekender is, maar in queer kringen gebruik ik eerder pan. Het verschilt per context, maar de kern is dat ik me niet beperk tot één hokje.

Ik ben ZZP’er en geef workshops op het gebied van inclusiviteit, mannelijkheid, grensoverschrijdend gedrag, racisme en discriminatie. Daarnaast treed ik op als mijn dragpersona Bipasha Tabu en doe ik ook aan spoken word. Activisme en performance lopen bij mij door elkaar heen.

Open zijn was niet altijd vanzelfsprekend. Ik kwam eerst uit de kast naar mijn vrienden. Ik woonde op kamers, dus ik had wat vrijheid, maar ik leefde wel een soort dubbelleven; als ik naar mijn ouders ging, moest ik een deel van mezelf verbergen. Op een gegeven moment had ik er genoeg van en ben ik ook thuis uit de kast gekomen. Dat ging hand in hand met mijn politieke betrokkenheid. In het begin zeiden mijn ouders wel manai ka boli (wat zullen de mensen zeggen)? Maar toen ze zagen dat ik bijvoorbeeld uitgenodigd werd op congressen en mocht spreken bij WorldPride in Madrid, begonnen ze het als succes te zien. Langzaam werd het oké. Zelfs meer conservatieve familieleden staan nu open voor Bipasha en boeken haar soms. Door mezelf te blijven, hebben ze geleerd dat dit gewoon is wie ik ben.

Bipasha geeft mij de vrijheid om gendernormen te verbreken bij zowel mezelf als bij andere mensen. Haar looks zijn geïnspireerd door Bollywood en de Indiase cultuur en haar naam is gebaseerd op die van twee Bollywoodactrices: Bipasha, die in de jaren 2000 traditionele verwachtingen rondom vrouwelijkheid en seksualiteit doorbrak, en Tabu, die in de jaren 90 juist bekend stond als de meer traditionele actrice. In de naam zit een woordspeling: ‘bi’ van biseksueel en Tabu als in taboe – het doorbreken van stigma’s. Net als de echte Bipasha wil ik verwachtingen doorbreken met mijn verschijning. Met spoken word kaart ik ook stigma’s aan en maak ik ze bespreekbaar.

Ik heb altijd iets gehad met genderverwachtingen, zeker binnen de Hindostaanse cultuur. Met drag kan ik die loslaten en uitdagen. Ik omarm mijn vrouwelijkheid en kanaliseer dat in een personage. Eigenlijk is ze een stemmetje in mijn hoofd dat ik een lichaam heb gegeven; een alter ego met wie ik in gesprek kan gaan. Het voelt soms bijna therapeutisch, als selfcare. 

In mijn performances speel ik graag met meerdere lagen. Zo deed ik een act op Bye Bye Bye van NSYNC. Daarin verwerkte ik vooroordelen over biseksuele mensen. Net voor het refrein hoorde je stemmen met die vooroordelen, en ik reageerde daarop: ‘Oh, heb je deze aannames weer?’ En dan bij het refrein: als je dit denkt, is daar de deur – ‘bye bye bye!’ Het is ook een referentie naar ‘bi’. Ik hou van dat spelen met woorden en dubbele betekenissen.

In een andere performance, met het theatergezelschap ‘Girls won’t be Girls’, breng ik een ode aan de hijra-gemeenschap. Ze hebben het liedje Happy gecovered en er allemaal dingen in verwerkt waar ze tegenaan lopen –  maar ondanks dat zijn ze nog steeds happy dat ze zichzelf kunnen uiten zoals ze zijn. Ik doorbreek het met spoken word over de hijra-gemeenschap, om het Nederlandse publiek te laten zien dat de hijra-gemeenschap al eeuwen bestaat en dat queer zijn geen westers fenomeen is. Voor de koloniale tijd was India op veel vlakken vrijer. Ik wil laten zien dat kolonialisme veel heeft onderdrukt en dat we onze identiteit mogen herclaimen; we mogen Hindostaans en queer zijn. De ongemakkelijke gesprekken moeten we aangaan.

Ik kies er bewust voor om zichtbaar te zijn. Toen ik opgroeide in Brabant had ik weinig rolmodellen. De enige Hindostanen die ik kende waren familie en kennissen. Als het ging over queer zijn, had je homo of lesbisch, maar bi of pan hoorde ik bijna niet. Dat was soms eenzaam. Ik probeer nu voor anderen te zijn wat ik zelf nodig had toen ik opgroeide. Als Bipasha laat ik zien dat we bestaan en dat dat normaal is. Ik hoor van andere Hindostaanse queers dat ze het tof vinden dat er een Nederlandse Hindostaanse dragqueen is die ook een chutney-nummer doet in plaats van alleen Bollywood. 

Er is wel een verschil tussen zichtbaar zijn als Shirodj en als Bipasha. Als mezelf word ik sneller serieus genomen. Bij drag denken mensen soms dat het alleen entertainment is, en zien ze minder snel de activistische laag. Dat is een balans die ik ook in mezelf voel. Binnen de Hindostaanse gemeenschap moeten sommige mensen eraan wennen, zeker de oudere generatie. Tegelijkertijd krijg ik ook veel steun. Een phoewa gaf me bijvoorbeeld oude bindi’s en kettingen om te gebruiken. 

Wat ik nodig heb van de gemeenschappen waar ik deel van uitmaak, is dat mensen hun vooroordelen onderzoeken. Dat ze reflecteren: waarom denk ik dit? Waar komt dat vandaan? Cultuur verandert voortdurend, maar we kunnen het ook zelf claimen en positief beïnvloeden. We moeten onszelf en de gemeenschap dekoloniseren.

Aan iemand die nog niet zichtbaar durft te zijn, wil ik zeggen: je bent goed zoals je bent. Doe het op je eigen tempo. Er is een hele leuke gemeenschap voor je wanneer je er klaar voor bent; je staat er niet alleen voor. Begin met liefde voor jezelf en de liefde van buiten volgt vanzelf.

Beeld: Ashwari Akloe

Dit interview is onderdeel van onze interviewreeks genaamd ‘Humans of Hindostaans & Queer’. Met Humans of Hindostaans & Queer brengen we verhalen van vreugde die de complexe zoektocht naar jezelf zijn laten zien. Je maakt kennis met de vreugde, diversiteit en rijkdom van de Hindostaanse queer gemeenschap door de persoonlijke verhalen. Ben je benieuwd naar de andere ‘Humans of Hindostaans & Queer’? Lees dan de andere interviews via onze website of in het boek ‘Humans of Hindostaans & Queer’.

Gemeenschap als mensvormend: een analyse van A Single Man

Essay door Maithili Bansie

Beeld via Goodreads

Wat zouden gemarginaliseerden mensen zijn zonder een gemeenschap? Hoe zou jij je voelen als je alleen stond tegenover een wereld die jouw bestaan niet erkent?  

Waar Christopher Isherwood’s A Single Man voor velen de onvoorspelbaarheid van het leven weergeeft, met de – spoiler! – plotselinge dood van het hoofdpersonage, wat in  de laatste alinea van het boek pas duidelijk wordt, illustreert het boek ook het  tragische lot van iemand die een leven leidt zonder gemeenschap en de  onmogelijkheid van dit leven. Hierop reflecteren vind ik nog steeds relevant in het huidige tijdperk, waarin homoseksualiteit in het Westen weliswaar geaccepteerd is, maar nog steeds, net als bij andere gemarginaliseerde groepen, niet volledig als  vanzelfsprekend menselijk wordt erkend. 

Een onerkend, onbeschermd bestaan 

Het boek A Single Man van Christopher Isherwood schetst een dag in het leven van een rouwende homoseksuele man in de jaren 60 van Californië. George’s partner Jim is recentelijk overleden. In het boek maken we één dag mee uit Georges leven; het begint met een beschrijving dat hij wakker wordt en eindigt met dat hij in slaap valt. Gedurende de dag ondergaat George zijn gewoonlijke activiteiten: hij geeft les op de  universiteit, bezoekt een vriendin en gaat in de avond naar een bar. 

In de loop van de dag vindt er meerdere malen een splitsing plaats tussen George’s  gedachten en zijn lichaam; zijn gedachten worden als het ware gescheiden van de acties die zijn lichaam ondergaat. Verdergaande op de automatische piloot ontstaat er een zekere afstand tussen George en zijn omgeving. Dit komt doordat George heel de dag van binnen aan het rouwen is, maar dit niet kan uiten waardoor de afstand tussen hem en zijn omgeving groter wordt. Dit is waarom het boek erg beschrijvend leest; zelfs wij als lezers blijven op afstand van George en kunnen hem niet volledig bereiken. Dit stuk poogt de positie van zijn personage juist vanuit die afstand te analyseren, omdat die afstand eigenlijk heel veelzeggend is. 

Volgens filosoof Judith Butler maakt verlies mensen bewust van hun afhankelijkheid  van anderen; rouw laat zien dat ons leven altijd verweven is met dat van anderen.1 George kan deze rouw echter niet delen. Hij staat er alleen voor en mist daarmee het  sociale, menselijke aspect van rouw: het gezamenlijk erkennen van verlies. Hij wordt  dus geconfronteerd met het realiseren van zijn afhankelijkheid, terwijl hij tegelijk geen  gemeenschap heeft waarin die afhankelijkheid kan worden opgevangen.  Maar, het tekort aan sociale ondersteuning maakt de levens van George en Jim  onbeschermde levens, waardoor zij binnen de maatschappij überhaupt niet  beschouwd worden als levens die het waard zijn om over te rouwen.2  Hier ontstaat een paradox: rouw maakt mensen dus bewust van hun afhankelijkheid van anderen, maar  voor George is rouw maatschappelijk uitgesloten. George en Jim worden als  homoseksuelen nooit volledig erkend, waardoor George’s verlies geen plaats binnen  een gemeenschap krijgt. Rouw is zowel de bevestiging van zijn menselijkheid en, door  de ontzegging hiervan, dat wat hem zijn menselijkheid ontneemt. 

Connectie

Gedurende de dag ervaart George enkele korte momenten waarin hij zich minder alleen voelt. Zo ontstaat er een subtiele connectie met zijn student Kenny, die oprechte  interesse in hem toont en na de les tijd met hem spendeert. Ze eindigen de dag plezierig met zwemmen in de zee na een avond in de bar.  

Een mensenleven heeft connectie nodig om de volledige ervaring als erkend mens in  de maatschappij mee te maken. In George’s geval blijft deze erkenning echter  gedeeltelijk; hij zal altijd een gedeelte van zichzelf weg moeten stoppen onder de sociale normen van zijn tijd, waardoor hij beperkt is in het leggen van oprechte, volledige connecties met anderen. Dit zien we bijvoorbeeld wanneer George’s hart sneller gaat kloppen wanneer hij vermoedt dat zijn Kenny hem een vraag gaat stellen nadat zij hebben gesproken over het feit dat George nogal ‘cagey’ is, waarop George insinueert dat hij niet alles kan delen; hij houdt afstand met een hunkering voor meer. George’s hunkering naar connectie is ook merkbaar wanneer Kenney een puntenslijper voor hem koopt. George gaat ervan blozen; het voelt alsof iemand hem een roos geeft. Ondanks het onvermogen volledig open te zijn, laten deze momenten zien waar George naar verlangt. 

Het boek verrast ons met het einde. Plots wordt beschreven dat George in zijn slaap  overlijdt aan een hartaanval. De verteller insinueert dat hij een bloedprop begon te ontwikkelen bij de ontmoeting met Jim; dit duidt erop dat George’s leven gedoemd was  vanaf het moment dat hij toegaf aan zijn homoseksualiteit. Zijn homoseksualiteit heeft zijn positie in de maatschappij bepaalt en beperkt. De hoop die George voelde toen hij ging slapen had geen toegevoegde waarde voor zijn leven; een leven dat geen kans  maakt op enige vorm van waarde in de maatschappij. 

Het belang van gemeenschap

Het tragische van George’s dood ligt niet alleen in de abruptheid ervan, maar ook in  het feit dat zijn leven eindigt wanneer er een kans tot connectie wordt gepresenteerd. Het onvermogen van George’s lichaam om in leven te blijven in zijn positie, suggereert dat gemeenschap een voorwaarde voor een leefbaar en erkend leven is.  

Wat als George een gemeenschap had van mensen die hem accepteerden, die hem  zagen voor wie hij was. Wat als hij deel uitmaakte van een gemeenschap van andere  outcasts? Andere LHBTI’ers? 

Vandaag de dag, in een wereld waar het bestaan van gemarginaliseerde individuen  nog steeds als een bedreiging en gevaar wordt gezien, ligt er een verantwoordelijkheid  bij ons allemaal om actief gemeenschappen te creëren. Laten we dit doen voor onszelf  en zij die ons voorgingen – zij die dit wilden maar tegen werden gehouden door een  samenleving die hen nooit als mens erkende. Op het eerste gezicht vond ik A Single Man heel beschrijvend en triest, maar de kritische lezer kan dit zien als een oproep tot  samenkomst en connectie.  

Want uiteindelijk bepaalt niet alleen hoe we zelf leven, maar ook hoe we anderen  erkennen, welke levens kunnen bestaan en welke onzichtbaar blijven.


  1. ‘Neoliberalism, Precarity, and Precariousness’, Niels Springveld, pagina 34. Frame – Journal of  Literary Studies no. 32.3, 2017. 
  2. ‘Precarious Life: the Powers of Mourning and Violence’, Judith Butler, pagina 32. Verso, 2004.

Mijn eerste jaar als voorzitter van Hindostaans & Queer

Persoonlijk essay door Kai Bhawanibhiek

Ik mag mezelf al een jaar de voorzitter van Hindostaans & Queer (H&Q) noemen. Ik heb de functie van onze oprichter Wedica Premchand mogen overnemen en ben heel trots op waar we als Hindostaans & Queer vandaag staan!

Voor mensen die mij nog niet kennen: ik heet Kailash Bhawanibhiek, ben 34 jaar en woon in Amsterdam. Ik ben opgegroeid in Suriname en Nederland en ben in het dagelijks leven D&I adviseur. Ik kook, reis en lees graag, ga graag uit voor dansjes en drankjes en beoefen Bharatanatyam.


Van zoektocht naar H&Q

De afgelopen jaren heb ik als vrijwilliger in verschillende commissies en besturen gezeten: Jonge Klimaatbeweging, Hindoe Studenten Forum Nederland, Expreszo, India Day Holland en Bridging the Gap. Deze verschillende organisaties geven ook mijn eigen zoektocht naar mijn identiteit weer. Ik heb me met liefde en passie ingezet voor deze verschillende organisaties. Ik heb ze zien groeien en bloeien en mocht daarbij ook mezelf ontwikkelen. In dat proces heb ik zowel mijn queer als mijn Hindostaanse identiteit mogen verkennen. En eigenlijk had ik niet bedacht dat die twee delen bij elkaar konden komen. Enter Wedica Premchand met haar Stichting Hindostaans en Queer. Ik ben haar erg dankbaar, iets oprichten vergt natuurlijk lef en visie.

Mijn persoonlijke ontwikkeling is versneld door mijn positie als bestuurslid en voorzitter. We pionieren ook natuurlijk als eerste hindostaanse queer organisatie, dus we blijven in gesprek over het op en uitbouwen van de stichting. We nemen besluiten die impact hebben op onze ontwikkeling en richting en daarmee op onze achterban. Uiteraard gaan we daarbij altijd uit van onze missie en visie om continuïteit te bewaren. Dit goed doen vergt dialoog en goede afweging. Als voorzitter leer ik dat steeds beter. Dit proces vind ik ook interessant en ik ben erg blij met de ontwikkeling van deze vaardigheid. 

We hebben met vrijwilligers zulke mooie dingen neergezet, die vullen me met trots en blijdschap. Indian History Month 2022, verschillende events zoals Rangeela, Divali en iftars. Hiernaast hebben we ook de John Blankenstein prijs gewonnen en H&Q mogen vertegenwoordigen bij verschillende events en overleggen. Dat dit allemaal gedaan is op vrijwillige basis met intrinsieke motivatie maakt mij erg trots.

Op 10 oktober hebben we ons vijfjarig bestaan gevierd met een echt baithak gana feestje: Tjatnie. Ons bestuurslid July Chotkan kwam met dit concept. Wedica en ik hebben tijdens het feest stilgestaan bij de afgelopen vijf jaren. We waren allebei ook verbaasd en toch verrast blij met wat er allemaal neergezet is de afgelopen vijf jaar. Het feest was een succes, echt een nauta om ons bestaan te vieren. Hiermee kwam waar wij voor staan heel mooi uit de verf.De band heeft zelfs een nummer geschreven over de regenboog, toegewijd aan ons! 


Activisme, uitdagingen en toekomst

Mijn voorzitterschap valt samen met een periode van veel onrecht en onrust in de wereld. Van Palestina tot queerrechten in de VS en de groeiende macht van extreemrechts in Nederland. Het voelt soms wat gek om dan tijd en energie te steken in H&Q. Maar gelukkig word ik vaak genoeg herinnerd dat dit werk ook verzet is. Het bestaan van de stichting en ervoor zorgen dat wij ruimte innemen, emanciperen en tot bloei komen is bij uitstek activisme. En daarom gaan we met liefde en vastberadenheid door.

Wat ik zelf nog ingewikkeld vind, is het verbinden van de brede achterban. Ik hoor verschillende geluiden: de een vindt ons te activistisch/links (bijvoorbeeld door het gebruik van de termen ‘Hindostaans’ en ‘queer’) en er is het geluid dat we ons niet activistisch genoeg opstellen (niet vocaal genoeg over wat er op het wereld toneel speelt). Enerzijds lijkt het me mooi als we heel inclusief elk Hindostaanse queer persoon zich thuis kunnen laten voelen bij ons en anderzijds staan wij natuurlijk ook voor een inclusieve Hindostaanse queer gemeenschap, waar alle letters van de LHBTIQA+ en religieuze achtergronden welkom zijn. Daarnaast willen we ook niet te veel gestuurd worden door het self-policing van de activistische gemeenschap (zoals Clarice Gargard dat goed verwoordt): we doen allemaal ons best (op vrijwillige basis zelfs) en staan voor iets. 

We proberen de ideeën van de achterban en vrijwilligers ruimte te geven waarbij we ook de focus en energie willen behouden om gericht impact te creëren. Er is dus het aspect van het door laten lopen van de zaken die we al doen (zoals mooie stukken van de redactie en events) maar ook de ambitie om uit te breiden naar outreach, meer vertegenwoordiging en een versterkte organisatie.

Ik was onlangs bij de jubilea van Mil Colores en SUHO. De eerste bestaat 25 jaar en is een stichting voor vrouwen die van vrouwen houden, met name voor vrouwen van kleur. De andere staat voor Surinaamse Homo’s en is in 1980 opgericht. Helaas bestaat SUHO niet meer. Wat erg inspirerend was bij de jubilea was eigenlijk hun bestaan. Het feit dat ze er waren/zijn betekent zoveel voor een gemeenschap en geeft erkenning en legitimiteit. Het was ook fijn om herinnerd te worden dat het bestaan van H&Q voortzetten al een hele opgave is en we minder kritisch mogen zijn op onze ambities voor groei en professionalisering.

Samen verder bouwen

Zonder de vrijwilligers is er geen H&Q mogelijk; hun tijd, energie en creativiteit maken ons als organisatie. Ik wil mensen uitnodigen om actief te worden bij H&Q; het is hier gezellig, je zet je in voor een goede zaak en we kijken samen naar wat zou passen bij jou en jouw beschikbare tijd. Hiernaast krijg je ook ruimte voor persoonlijke ontwikkeling. We zijn maar vijf jaar oud en er is genoeg te doen om H&Q verder te versterken. Hiervoor hoef je niet Hindostaans en/of queer te zijn!

Hiernaast kost het ook geld om een stichting te onderhouden: denk aan de website, boekhoudprogramma, trainingen om de vrijwilligers verder te helpen etc. Donaties zijn daarom zeer welkom. Als wij minder tijd hoeven te steken in fondsenwerving, kunnen we meer tijd steken in het eigenlijke werk: community building, vertegenwoordiging en outreach!

Boekrecensie ‘Burning My Roti’

Geschreven door Wedica Premchand

Beeld via Goodreads

In ‘Burning My Roti: Breaking Barriers as a Queer Indian Woman’ onderzoekt auteur Sharan Dhaliwal (zij/hen) hoe bruin-zijn zich verhoudt tot witheid en andersom. Sharan is een queer persoon geboren en getogen in Londen. Ze is oprichter van ‘Burnt Roti’, een toonaangevend Brits tijdschrift over Zuid-Aziatische cultuur. Daarnaast is hen oprichter van ‘Middlesex Pride’ en ‘Oh Queer Cupid’. Haar ouders migreerden in de jaren ’70 van de vorige eeuw uit de regio Punjab in India naar Engeland. Hun diasporische positie vormen samen met hun (activistische) queer identiteit het fundament van dit boek.

Het boek gaat over thema’s waar veel bruine queer personen in een Europese context mee te maken hebben of krijgen: racialisering, colorisme, BDD (Body Dysmorphic Disorder), queer geschiedenissen, anti-zwartheid en geïnternaliseerde zelfhaat. Dit doet Sharan aan de hand van autobiografische verhalen en persoonlijke anekdotes die beeldend, vrijmoedig, compromisloos en kwetsbaar zijn.
Hen deinst er niet voor terug om tot in detail haar eigen BDD te beschrijven inclusief haar diepe afkeer van haar neus en lichaamshaar. Als lezer wordt je hierdoor het onderwerp ingezogen en krijg je een goed beeld van de gedachten en emoties die gepaard kunnen gaan met het onderwerp. In het boek interviewt hen enkele andere Zuid-Aziatische queer personen van kleur over hun ervaringen met betrekking tot de themas in het boek. Hiermee geeft ze ruimte aan andere Britse queer stemmen uit de Zuid-Aziatische diaspora.

Binnen de Zuid-Aziatische cultuur en diaspora is het leren maken van perfect gegaarde ronde roti’s een essentieel onderdeel van de opvoeding van meisjes. Dat Sharan haar boek ‘Burning My Roti’ noemt vind ik, als queer vrouw uit dezelfde diaspora, ludiek en alleszeggend. Hen beschrijft in het boek een passage waarin ze vertelt dat ze van haar moeder roti moest leren maken. Haar broer was vrijgesteld van deze taak omdat hij een jongen is, wat Sharan oneerlijk vond. Ze liet alle roti’s expres aanbranden, waarna haar moeder haar ook vrijstelde van de taak. 
De titel staat symbool voor verzet tegen opgelegde culturele verplichtingen en het kiezen voor een pad buiten de norm. Het is een titel die resoneert bij vrouwen uit de Zuid-Aziatische diaspora, die anders (willen) leven dan de norm. Vrouwen die willen vrij breken uit de strikte culturele regels over wat een vrouw is en of hoort te zijn. 

Hieronder volgt een passage uit het boek om een voorbeeld te geven van de vrijmoedige en compromisloze toon waarop het boek is geschreven:

 ‘There are also words in this book that some people may not understand, and while it’s common practise to italicise or explain a word in brackets when it’s from a different language’, my intention is not to do so. Where some people may not understand these terms, there are many words I’ve come across in a book that I’ve had to Google. So, Google them’. 

Door dit in de inleiding te schrijven draait Sharan de gebruikelijke machtsverhoudingen om. 
Er komen in het boek zware onderwerpen en trauma’s aan bod, die met zwarte humor zijn geschreven waarvan ik niet zeker weet of het zo bedoeld is. Toen ik onderstaande zin las, moest ik hardop lachen:

I don’t believe I’m here to conform to anything, not only because I’m a stubborn bitch, but because I am curious’.

‘Burning My Roti’ is wat mij betreft een must-read voor activistische Zuid-Aziatische queer vrouwen. Het boek is herkenbaar en draagt voor deze specifiek doelgroep bij aan zowel educatie en zelfacceptatie. Door middel van de persoonlijke verhalen legt Sharan indirect complexe onderwerpen uit, zonder expliciet te willen uitleggen of onderwijzen. 

Persoonlijk ben ik Sharan heel dankbaar dat ze dit boek heeft geschreven. Ik was verrast door de openheid waarmee hen vertelt over haar struggles, emoties en gedachten. Hen schrijft het boek met zelfreflectie op haar eigen privileges binnen de gemarginaliseerde groepen waar hen toe behoort. Ze laat zien dat een boegbeeld ook kwetsbaarheden heeft en dat daarin kracht schuilt.


Dhaliwal, Sharan. Burning My Roti: Breaking Barriers as a Queer Indian Woman. London: Hardie Grant Books UK, 2022.


Geschreven door Wedica Premchand

Nooit genoeg

Recensie door Arson Sadhoe

Beeld: Arson Sadhoe

Het boek ‘Nooit genoeg, Grenzen vanuit een Queer perspectief: beklemmend of bevrijdend?’ geschreven door Sharvin Ramjan (hij/hem), kwam in december van 2025 uit. In zijn boek, bestaande uit drie essays met uiteenlopende thema’s als vriendschap, werken in de culturele sector, uitsluiting, polyamorie, gemeenschapsvorming en zelfontwikkeling, is er iets dat telkens terugkeert: grenzen. Al sinds de aankondiging van het boek ben ik erg geïntrigeerd, omdat de zoektocht naar grenzen een thema is dat zich ook in mijn leven afspeelt.

Nooit genoeg is het debuut van Sharvin Ramjan. Hij is presentator, performer, moderator en schrijver. Hij werkt in de culturele sector en zet z’n werk in om te streven naar representatie, meerstemmigheid en kansengelijkheid. 

Het boek bestaat uit drie essays, waarin Ramjan je meeneemt naar impactvolle ervaringen in zijn leven. Hij verbindt verschillende ervaringen aan elkaar, zoals hij in zijn eigen leven verschillende identiteiten met elkaar verbindt: hij is een nazaat van contractarbeiders uit Suriname, de gay bestfriend, de young urban professional, de partner in een ethische non-monogame relatie en de medewerker van kleur in de culturele sector. Al die identiteiten vloeien door in zijn essays. Ramjan neemt je mee op zoektocht naar zijn grenzen aan de hand van drie steden; Den Haag, Rotterdam en Barcelona. 

De diepte in

Verwacht geen how to guide over grenzen opbouwen. Ramjan maakt gebruik van zijn eigen ervaringen met grenzen die werden overschreden, bewaakt en verlegd. Juist dit maakt de verhalen zo herkenbaar. ‘Nooit genoeg’ leest alsof je een persoonlijk gesprek hebt met Ramjan, waar je de diepte ingaat. Je krijgt een kijkje in het hoofd van Ramjan. Hij is open over de frustraties, twijfels en moeilijkheden die hij tegenkomt in zijn relaties en onderzoekt de achterliggende redenen hiervan. Door Ramjans kwetsbaarheid en open zelfreflecties kan je meeleven met zijn frustraties en meegaan in zijn emoties, van verbazing tot blijdschap. 

Het boek bracht mij ook tot nieuwe inzichten. Er is een quote die tot me sprak die ik graag wil delen: “Als Queer-persoon voldoen we per definitie niet aan de heersende normen en waarden, daarom moeten we vreugde vinden in het falen. Het weigeren van conventionele successen moet een ruimte openen voor een ander soort succes, namelijk het succes van de verbeelding.” (Blz. 63). Vanuit dit perspectief had ik falen nog niet eerder bekeken. Vaak hebben we als Queer-personen het gevoel dat we gefaald hebben, omdat we niet kunnen voldoen aan de eisen en verwachtingen van familie en de maatschappij. Echter is falen niet het einde, maar juist het startpunt voor nieuwe verbeeldingen. Die verbeelding kan bijvoorbeeld de vorm krijgen van een gemeenschap waarin queer personen niet langer de ander zijn. Ramjan benoemt het belang van gemeenschapsvorming; “Waar biologische families het nalaten de juiste steun, liefde en acceptatie te bieden, kunnen deze gemeenschappen dat onderling orkestreren.” (Blz. 83). In het creëren van nieuwe verbeeldingen en gemeenschappen kunnen we plekken en mensen vinden waar we herkenning en erkenning bij kunnen vinden.

Hindostaans & Queer

Ramjan beschrijft in zijn essays hoe hij verschillende werelden bij elkaar brengt. Zo komen in hem ook Surinaams-Hindostaanse en Queer werelden bij elkaar.

Hij vertelt over de lessen en waarden die hij van huis uit mee kreeg hem zijn bijgebleven. Hij heeft die lessen en waarden meegekregen van zijn moeder, maar zij heeft ze geërfd van de generaties voor haar; contractarbeiders die naar Suriname migreerden. Ramjan omschrijft ze als: “…strijdbare mensen die continenten verlieten en zwarte zeeën trotseerden voor een betere toekomst.” (Blz. 11). De nalatenschap hiervan voelt hij. Hoewel hij meer mogelijkheden heeft dan zijn voorouders, merkt hij dat de trauma’s van onder andere contractarbeid zich diep in hem hebben geworteld. 

Ramjan vertelt hoe het verleden van contractarbeid zich manifesteert in het heden, in zijn leven: “Als mijn voorouders gedwongen arbeid konden doorstaan, dan moet ik toch zeker de kracht vinden om in de pen te klimmen en tegen de giftigheid van mijn werkveld op te staan?” (Blz. 41). Dit gevoel dat Ramjan omschrijft, vind ik tekenend voor het gevoel van altijd sterk moeten zijn. Als Ramjan zich uitspreekt tegen uitsluiting van genderdiverse mensen op zijn werk, wordt hem de rol van pleitbezorger toegeschreven. Hij vindt het belangrijk om zich uit te spreken tegen onrecht, maar het spreekt tegen een ander gevoel dat leeft bij Ramjan, namelijk dankbaarheid en gehoorzaamheid. Het vormt een innerlijke strijd. Aan de ene kant heeft hij het gevoel dat hij vooral dankbaar moet zijn voor z’n baan, want: “Als je zelden een kans krijgt, voelt elke mogelijkheid als iets uitzonderlijks: niet een recht, maar een gunst die wordt verleend.” (Blz. 44). Alleen kan de dankbaarheid die hij voelt niet ten koste gaan van zijn principes en morele kompas. Veel mensen zullen zich in deze uitdaging kunnen herkennen, omdat ruimte innemen lastig is in een wereld die je vertelt dat vooral niet te doen.

Een aanrader!

Voor de achterban van Hindostaans & Queer is het boek een bron van herkenning. Ramjan brengt werelden bij elkaar en omschrijft de obstakels die hij ervaart als Hindostaanse Queer. De sporen van het verleden stromen door in hem, hij draagt de last van intergenerationeel trauma. Hij voelt dat het nu aan hem is om die sporen te onderzoeken, te verbreden en nieuwe paden te creëren. Zodat hij paden kan vinden die niet beklemmen, maar juist bevrijden.

‘Nooit genoeg’ is daarom zeker een aanrader! Het leest niet alleen fijn, maar zet je aan het denken zonder dat je hoofd overuren draait. De dilemma’s die hij omschrijft zijn voor velen herkenbaar. Daarnaast is het een dun boek met minder dan 100 bladzijdes. Als dikke boeken voor jou een obstakel zijn, dan is dit een goede start. 

Ramjan haalt interessante literatuur aan in zijn zelfreflecties, als je dit boek uit hebt is er nog een lijst van boeken, artikelen en films die je verder kunnen inspireren. Ik heb in ieder geval weer wat nieuwe boeken, artikelen en films op mijn lees- en kijklijst gezet! 

Graag sluit ik af met de eindquote van Ramjan, als herinnering dat we ruimte mogen innemen en ruimte kunnen creëren waar die er nog niet is:

 “Tegen iedereen die ooit heeft gehoord ‘Doe normaal, dan doe je al gek genoeg’ zeg ik: ‘Wees nooit genoeg’.” (Blz. 93)


Arson Sadhoe (hen/hun, die/diens) is redactielid en social media redacteur bij Hindostaans & Queer. In het dagelijks leven is hen naast diens studie graag bezig met schilderen, schrijven, lezen, films kijken en nieuwe hobbies uitproberen.

Mijn phoewa, mijn familie, mijn ankers

Column door Patrick Somai

Beeld: Yasmin

Mijn phoewa – de zus van mijn vader- leerde me twee dingen die je nodig hebt in het leven: bhaitak gana dansen en hoe je een gebroken hart overleeft.

Na de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname in 1977 kwam ze bij haar oudste broer – mijn vader – in Den Haag wonen. Ik was nog een jongetje dat vooral bezig was met spelen en niet besefte wat een geschenk haar aanwezigheid was. Als de middelste van drie broers had ik een sterkere band met mijn broertje dan met mijn oudere broer. We konden immers samen spelen; mijn broer was zeven jaar ouder en met hele andere dingen bezig dan spelen.

Wat ik toen niet besefte, maar nu wel weet: mijn phoewa gaf me iets onbetaalbaars. In een cultuur waar jongens al vroeg in een mal geduwd worden – voetballen, stoer doen, vooral geen heupen bewegen – creëerde zij simpelweg ruimte. Ruimte om te dansen zoals ik wilde, om zacht te zijn, om anders te zijn zonder dat daar woorden aan hoefden te worden verspild. Geen verhitte discussies over mannelijkheid, geen bezorgde blikken over wat de gemeenschap zou denken, geen gefluister over ‘manai ka boli’. Gewoon: kom, ik leer je dansen.

En dan bedoel ik niet de ballroom en Latin American danslessen zoals ik die op latere leeftijd zou volgen. Nee, ik bedoel bhaitak gana – een dansstijl waar je echt los kunt gaan, waar heupen mogen bewegen en handgebaren niet vreemd zijn maar verwacht worden. Een dansstijl die niets te maken heeft met of je ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ genoeg bent, maar alles met of je de muziek voelt. Voor een jongen die langzaam ontdekte dat hij op jongens viel, was dat meer dan alleen maar dansen leren. Het was een eerste les in: je mag zijn wie je bent.

Bhaitak gana. Vertaald als zittende muziek. Een volksmuziek die de kantraki – de Hindostaanse contractarbeiders uit Brits-Indië (het huidige India) – zich in Suriname eigen maakten tijdens hun schaarse vrije uren. De ouderen speelden, zongen, en maakten er iets moois van in een tijd die niet altijd mooi was. Mijn ouders namen die traditie mee naar Nederland, samen met hun koffers en dromen. En omdat zij de eerste van de familie waren met een eigen huis in Den Haag, stroomde iedereen bij ons binnen: familie, vrienden, kennissen, buren.

Sowieso is mijn phoewa één van de weinige verbindingen die ik heb met dat stuk van mijn verleden: Mijn moeder en oudste broer zijn er niet meer en mijn vader woont in zijn eigen wereld. M’n phoewa kan zo fijn vertellen over vroeger wonen in de Obrechtstraat; verhalen over hoe ze stiekem op date ging, verhalen over mijn oudste broer en altijd liefkozend wanneer het over mijn moeder gaat. Veel herinneringen aan die tijd heb ik zelf niet – ze vertrok al snel om te trouwen. Maar één ding staat in mijn geheugen gegrift: zij heeft me de basis bijgebracht van dansen . En belangrijker nog: zij liet me zien dat familie er kan zijn, zonder voorwaarden.

Ik zie het nog voor me. Een bomvol huis. Mensen in de keuken, de slaapkamers, de tuin – overal. De muziek dreunde door de muren, de geur van eten vulde elk hoekje, en gedanst werd er tot je voeten pijn deden. En daar stond ik dan, een kleine jongen tussen al die volwassen lichamen, turend naar mijn phoewa die me liet zien hoe het moest. Met je heupen bewegen, handgebaren maken – het is vrij specifiek, best lastig eigenlijk. Maar ik vond het geweldig. Nog steeds trouwens. Als de muziek begint, gaat er iets in me los. Het prachtige van bhaitak gana is dat het klasse overstijgend is; als er bhaitak gana gedraaid wordt dansen Hindostaanse advocaten naast Hindostaanse schoonmakers. Hoe Nederlands we mogen zijn (verworden), een beetje bhaitak gana verbroedert!

Jaren later, toen ik net achttien was geworden en dacht dat ik alles wist over de wereld, brak mijn hart voor de allereerste keer. Mijn eerste liefde maakte het uit. Een jongen natuurlijk, al durfde ik dat nog aan weinig mensen te vertellen. Ik wist niks van de liefde, laat staan wat een gebroken hart was. Maar jeetje, wat had ik een gebroken hart.

En weet je wat het mooie was? Mijn phoewa vroeg niet naar details die ik niet wilde geven. Ze vroeg niet “wie was het dan?” alsof ze bevestiging zocht van wat ze allang wist. Ze deed niet alsof het een fase was of iets tijdelijks waar ik wel overheen zou komen. Ze deed waar familie voor is: ze was er. Met een troostende schouder, luisterende oren, en woorden die het net iets dragelijker maakten.

Die acceptatie – die vanzelfsprekende, onvoorwaardelijke acceptatie – is alles wat een queer Hindostaan nodig heeft maar niet altijd krijgt. Want laten we eerlijk zijn: onze gemeenschap kan prachtig zijn in verbondenheid, maar kan ook verstikkend klein aanvoelen wanneer je niet in het plaatje past dat voor je bedacht is. Wanneer je bang bent voor het gefluister, voor de teleurstelling in de ogen van je ouders, voor de vragen tijdens bruiloften waarom je nog steeds alleen bent.

Mijn phoewa heeft me nooit die angst gegeven. Integendeel, ze heeft me laten zien dat familie er juist kan zijn om die angst kleiner te maken. Door gewoon aanwezig te zijn, zonder oordeel. Door te luisteren naar liefdesverdriet zonder te vragen over het geslacht van degene die je hart brak. Door je te leren dansen zonder je voor te schrijven hoe een man hoort te bewegen.

En ik ben reuzeblij – nee, oprecht gelukkig – dat mijn phoewa een geweldige man heeft getroffen. Iemand met wie ze zeer gelukkig is. Want als er iemand geluk verdient, dan is zij het wel.

Maar vooral ben ik dankbaar. Dankbaar voor de ruimte die ze me gaf toen ik klein was. Dankbaar voor de acceptatie die ze me gaf toen ik achttien was. En dankbaar dat ze me heeft laten zien hoe familie eruit kan zien: niet als een keurslijf van verwachtingen, maar als een veilige haven waar je gewoon jezelf mag zijn.

Want uiteindelijk leerde mijn phoewa me niet alleen bhaitak gana dansen en hoe je een gebroken hart overleeft. Ze leerde me dat er binnen onze gemeenschap ruimte is voor ons allemaal – als we maar de moed hebben die ruimte op te eisen en de wijsheid om elkaar daarin te steunen.


Patrick Somai (hij/hem) is docent. Als fashionista houdt hij van de pracht en praal van de diverse kleding op o.a. shaadi’s (hindoebruiloft, ook bekend als biya, vivaah). Hij doet zijn eigen onderzoek naar traditionele Hindostaanse kleding, dat geeft hem joy. Patrick heeft een unisex kledingstuk ontwikkeld, gebaseerd op het wikkelen van de sari met elementen van de dhoti.