Mijn eerste jaar als voorzitter van Hindostaans & Queer

Persoonlijk essay door Kai Bhawanibhiek

Ik mag mezelf al een jaar de voorzitter van Hindostaans & Queer (H&Q) noemen. Ik heb de functie van onze oprichter Wedica Premchand mogen overnemen en ben heel trots op waar we als Hindostaans & Queer vandaag staan!

Voor mensen die mij nog niet kennen: ik heet Kailash Bhawanibhiek, ben 34 jaar en woon in Amsterdam. Ik ben opgegroeid in Suriname en Nederland en ben in het dagelijks leven D&I adviseur. Ik kook, reis en lees graag, ga graag uit voor dansjes en drankjes en beoefen Bharatanatyam.


Van zoektocht naar H&Q

De afgelopen jaren heb ik als vrijwilliger in verschillende commissies en besturen gezeten: Jonge Klimaatbeweging, Hindoe Studenten Forum Nederland, Expreszo, India Day Holland en Bridging the Gap. Deze verschillende organisaties geven ook mijn eigen zoektocht naar mijn identiteit weer. Ik heb me met liefde en passie ingezet voor deze verschillende organisaties. Ik heb ze zien groeien en bloeien en mocht daarbij ook mezelf ontwikkelen. In dat proces heb ik zowel mijn queer als mijn Hindostaanse identiteit mogen verkennen. En eigenlijk had ik niet bedacht dat die twee delen bij elkaar konden komen. Enter Wedica Premchand met haar Stichting Hindostaans en Queer. Ik ben haar erg dankbaar, iets oprichten vergt natuurlijk lef en visie.

Mijn persoonlijke ontwikkeling is versneld door mijn positie als bestuurslid en voorzitter. We pionieren ook natuurlijk als eerste hindostaanse queer organisatie, dus we blijven in gesprek over het op en uitbouwen van de stichting. We nemen besluiten die impact hebben op onze ontwikkeling en richting en daarmee op onze achterban. Uiteraard gaan we daarbij altijd uit van onze missie en visie om continuïteit te bewaren. Dit goed doen vergt dialoog en goede afweging. Als voorzitter leer ik dat steeds beter. Dit proces vind ik ook interessant en ik ben erg blij met de ontwikkeling van deze vaardigheid. 

We hebben met vrijwilligers zulke mooie dingen neergezet, die vullen me met trots en blijdschap. Indian History Month 2022, verschillende events zoals Rangeela, Divali en iftars. Hiernaast hebben we ook de John Blankenstein prijs gewonnen en H&Q mogen vertegenwoordigen bij verschillende events en overleggen. Dat dit allemaal gedaan is op vrijwillige basis met intrinsieke motivatie maakt mij erg trots.

Op 10 oktober hebben we ons vijfjarig bestaan gevierd met een echt baithak gana feestje: Tjatnie. Ons bestuurslid July Chotkan kwam met dit concept. Wedica en ik hebben tijdens het feest stilgestaan bij de afgelopen vijf jaren. We waren allebei ook verbaasd en toch verrast blij met wat er allemaal neergezet is de afgelopen vijf jaar. Het feest was een succes, echt een nauta om ons bestaan te vieren. Hiermee kwam waar wij voor staan heel mooi uit de verf.De band heeft zelfs een nummer geschreven over de regenboog, toegewijd aan ons! 


Activisme, uitdagingen en toekomst

Mijn voorzitterschap valt samen met een periode van veel onrecht en onrust in de wereld. Van Palestina tot queerrechten in de VS en de groeiende macht van extreemrechts in Nederland. Het voelt soms wat gek om dan tijd en energie te steken in H&Q. Maar gelukkig word ik vaak genoeg herinnerd dat dit werk ook verzet is. Het bestaan van de stichting en ervoor zorgen dat wij ruimte innemen, emanciperen en tot bloei komen is bij uitstek activisme. En daarom gaan we met liefde en vastberadenheid door.

Wat ik zelf nog ingewikkeld vind, is het verbinden van de brede achterban. Ik hoor verschillende geluiden: de een vindt ons te activistisch/links (bijvoorbeeld door het gebruik van de termen ‘Hindostaans’ en ‘queer’) en er is het geluid dat we ons niet activistisch genoeg opstellen (niet vocaal genoeg over wat er op het wereld toneel speelt). Enerzijds lijkt het me mooi als we heel inclusief elk Hindostaanse queer persoon zich thuis kunnen laten voelen bij ons en anderzijds staan wij natuurlijk ook voor een inclusieve Hindostaanse queer gemeenschap, waar alle letters van de LHBTIQA+ en religieuze achtergronden welkom zijn. Daarnaast willen we ook niet te veel gestuurd worden door het self-policing van de activistische gemeenschap (zoals Clarice Gargard dat goed verwoordt): we doen allemaal ons best (op vrijwillige basis zelfs) en staan voor iets. 

We proberen de ideeën van de achterban en vrijwilligers ruimte te geven waarbij we ook de focus en energie willen behouden om gericht impact te creëren. Er is dus het aspect van het door laten lopen van de zaken die we al doen (zoals mooie stukken van de redactie en events) maar ook de ambitie om uit te breiden naar outreach, meer vertegenwoordiging en een versterkte organisatie.

Ik was onlangs bij de jubilea van Mil Colores en SUHO. De eerste bestaat 25 jaar en is een stichting voor vrouwen die van vrouwen houden, met name voor vrouwen van kleur. De andere staat voor Surinaamse Homo’s en is in 1980 opgericht. Helaas bestaat SUHO niet meer. Wat erg inspirerend was bij de jubilea was eigenlijk hun bestaan. Het feit dat ze er waren/zijn betekent zoveel voor een gemeenschap en geeft erkenning en legitimiteit. Het was ook fijn om herinnerd te worden dat het bestaan van H&Q voortzetten al een hele opgave is en we minder kritisch mogen zijn op onze ambities voor groei en professionalisering.

Samen verder bouwen

Zonder de vrijwilligers is er geen H&Q mogelijk; hun tijd, energie en creativiteit maken ons als organisatie. Ik wil mensen uitnodigen om actief te worden bij H&Q; het is hier gezellig, je zet je in voor een goede zaak en we kijken samen naar wat zou passen bij jou en jouw beschikbare tijd. Hiernaast krijg je ook ruimte voor persoonlijke ontwikkeling. We zijn maar vijf jaar oud en er is genoeg te doen om H&Q verder te versterken. Hiervoor hoef je niet Hindostaans en/of queer te zijn!

Hiernaast kost het ook geld om een stichting te onderhouden: denk aan de website, boekhoudprogramma, trainingen om de vrijwilligers verder te helpen etc. Donaties zijn daarom zeer welkom. Als wij minder tijd hoeven te steken in fondsenwerving, kunnen we meer tijd steken in het eigenlijke werk: community building, vertegenwoordiging en outreach!

Boekrecensie ‘Burning My Roti’

Geschreven door Wedica Premchand

Beeld via Goodreads

In ‘Burning My Roti: Breaking Barriers as a Queer Indian Woman’ onderzoekt auteur Sharan Dhaliwal (zij/hen) hoe bruin-zijn zich verhoudt tot witheid en andersom. Sharan is een queer persoon geboren en getogen in Londen. Ze is oprichter van ‘Burnt Roti’, een toonaangevend Brits tijdschrift over Zuid-Aziatische cultuur. Daarnaast is hen oprichter van ‘Middlesex Pride’ en ‘Oh Queer Cupid’. Haar ouders migreerden in de jaren ’70 van de vorige eeuw uit de regio Punjab in India naar Engeland. Hun diasporische positie vormen samen met hun (activistische) queer identiteit het fundament van dit boek.

Het boek gaat over thema’s waar veel bruine queer personen in een Europese context mee te maken hebben of krijgen: racialisering, colorisme, BDD (Body Dysmorphic Disorder), queer geschiedenissen, anti-zwartheid en geïnternaliseerde zelfhaat. Dit doet Sharan aan de hand van autobiografische verhalen en persoonlijke anekdotes die beeldend, vrijmoedig, compromisloos en kwetsbaar zijn.
Hen deinst er niet voor terug om tot in detail haar eigen BDD te beschrijven inclusief haar diepe afkeer van haar neus en lichaamshaar. Als lezer wordt je hierdoor het onderwerp ingezogen en krijg je een goed beeld van de gedachten en emoties die gepaard kunnen gaan met het onderwerp. In het boek interviewt hen enkele andere Zuid-Aziatische queer personen van kleur over hun ervaringen met betrekking tot de themas in het boek. Hiermee geeft ze ruimte aan andere Britse queer stemmen uit de Zuid-Aziatische diaspora.

Binnen de Zuid-Aziatische cultuur en diaspora is het leren maken van perfect gegaarde ronde roti’s een essentieel onderdeel van de opvoeding van meisjes. Dat Sharan haar boek ‘Burning My Roti’ noemt vind ik, als queer vrouw uit dezelfde diaspora, ludiek en alleszeggend. Hen beschrijft in het boek een passage waarin ze vertelt dat ze van haar moeder roti moest leren maken. Haar broer was vrijgesteld van deze taak omdat hij een jongen is, wat Sharan oneerlijk vond. Ze liet alle roti’s expres aanbranden, waarna haar moeder haar ook vrijstelde van de taak. 
De titel staat symbool voor verzet tegen opgelegde culturele verplichtingen en het kiezen voor een pad buiten de norm. Het is een titel die resoneert bij vrouwen uit de Zuid-Aziatische diaspora, die anders (willen) leven dan de norm. Vrouwen die willen vrij breken uit de strikte culturele regels over wat een vrouw is en of hoort te zijn. 

Hieronder volgt een passage uit het boek om een voorbeeld te geven van de vrijmoedige en compromisloze toon waarop het boek is geschreven:

 ‘There are also words in this book that some people may not understand, and while it’s common practise to italicise or explain a word in brackets when it’s from a different language’, my intention is not to do so. Where some people may not understand these terms, there are many words I’ve come across in a book that I’ve had to Google. So, Google them’. 

Door dit in de inleiding te schrijven draait Sharan de gebruikelijke machtsverhoudingen om. 
Er komen in het boek zware onderwerpen en trauma’s aan bod, die met zwarte humor zijn geschreven waarvan ik niet zeker weet of het zo bedoeld is. Toen ik onderstaande zin las, moest ik hardop lachen:

I don’t believe I’m here to conform to anything, not only because I’m a stubborn bitch, but because I am curious’.

‘Burning My Roti’ is wat mij betreft een must-read voor activistische Zuid-Aziatische queer vrouwen. Het boek is herkenbaar en draagt voor deze specifiek doelgroep bij aan zowel educatie en zelfacceptatie. Door middel van de persoonlijke verhalen legt Sharan indirect complexe onderwerpen uit, zonder expliciet te willen uitleggen of onderwijzen. 

Persoonlijk ben ik Sharan heel dankbaar dat ze dit boek heeft geschreven. Ik was verrast door de openheid waarmee hen vertelt over haar struggles, emoties en gedachten. Hen schrijft het boek met zelfreflectie op haar eigen privileges binnen de gemarginaliseerde groepen waar hen toe behoort. Ze laat zien dat een boegbeeld ook kwetsbaarheden heeft en dat daarin kracht schuilt.


Dhaliwal, Sharan. Burning My Roti: Breaking Barriers as a Queer Indian Woman. London: Hardie Grant Books UK, 2022.


Geschreven door Wedica Premchand

Nooit genoeg

Recensie door Arson Sadhoe

Beeld: Arson Sadhoe

Het boek ‘Nooit genoeg, Grenzen vanuit een Queer perspectief: beklemmend of bevrijdend?’ geschreven door Sharvin Ramjan (hij/hem), kwam in december van 2025 uit. In zijn boek, bestaande uit drie essays met uiteenlopende thema’s als vriendschap, werken in de culturele sector, uitsluiting, polyamorie, gemeenschapsvorming en zelfontwikkeling, is er iets dat telkens terugkeert: grenzen. Al sinds de aankondiging van het boek ben ik erg geïntrigeerd, omdat de zoektocht naar grenzen een thema is dat zich ook in mijn leven afspeelt.

Nooit genoeg is het debuut van Sharvin Ramjan. Hij is presentator, performer, moderator en schrijver. Hij werkt in de culturele sector en zet z’n werk in om te streven naar representatie, meerstemmigheid en kansengelijkheid. 

Het boek bestaat uit drie essays, waarin Ramjan je meeneemt naar impactvolle ervaringen in zijn leven. Hij verbindt verschillende ervaringen aan elkaar, zoals hij in zijn eigen leven verschillende identiteiten met elkaar verbindt: hij is een nazaat van contractarbeiders uit Suriname, de gay bestfriend, de young urban professional, de partner in een ethische non-monogame relatie en de medewerker van kleur in de culturele sector. Al die identiteiten vloeien door in zijn essays. Ramjan neemt je mee op zoektocht naar zijn grenzen aan de hand van drie steden; Den Haag, Rotterdam en Barcelona. 

De diepte in

Verwacht geen how to guide over grenzen opbouwen. Ramjan maakt gebruik van zijn eigen ervaringen met grenzen die werden overschreden, bewaakt en verlegd. Juist dit maakt de verhalen zo herkenbaar. ‘Nooit genoeg’ leest alsof je een persoonlijk gesprek hebt met Ramjan, waar je de diepte ingaat. Je krijgt een kijkje in het hoofd van Ramjan. Hij is open over de frustraties, twijfels en moeilijkheden die hij tegenkomt in zijn relaties en onderzoekt de achterliggende redenen hiervan. Door Ramjans kwetsbaarheid en open zelfreflecties kan je meeleven met zijn frustraties en meegaan in zijn emoties, van verbazing tot blijdschap. 

Het boek bracht mij ook tot nieuwe inzichten. Er is een quote die tot me sprak die ik graag wil delen: “Als Queer-persoon voldoen we per definitie niet aan de heersende normen en waarden, daarom moeten we vreugde vinden in het falen. Het weigeren van conventionele successen moet een ruimte openen voor een ander soort succes, namelijk het succes van de verbeelding.” (Blz. 63). Vanuit dit perspectief had ik falen nog niet eerder bekeken. Vaak hebben we als Queer-personen het gevoel dat we gefaald hebben, omdat we niet kunnen voldoen aan de eisen en verwachtingen van familie en de maatschappij. Echter is falen niet het einde, maar juist het startpunt voor nieuwe verbeeldingen. Die verbeelding kan bijvoorbeeld de vorm krijgen van een gemeenschap waarin queer personen niet langer de ander zijn. Ramjan benoemt het belang van gemeenschapsvorming; “Waar biologische families het nalaten de juiste steun, liefde en acceptatie te bieden, kunnen deze gemeenschappen dat onderling orkestreren.” (Blz. 83). In het creëren van nieuwe verbeeldingen en gemeenschappen kunnen we plekken en mensen vinden waar we herkenning en erkenning bij kunnen vinden.

Hindostaans & Queer

Ramjan beschrijft in zijn essays hoe hij verschillende werelden bij elkaar brengt. Zo komen in hem ook Surinaams-Hindostaanse en Queer werelden bij elkaar.

Hij vertelt over de lessen en waarden die hij van huis uit mee kreeg hem zijn bijgebleven. Hij heeft die lessen en waarden meegekregen van zijn moeder, maar zij heeft ze geërfd van de generaties voor haar; contractarbeiders die naar Suriname migreerden. Ramjan omschrijft ze als: “…strijdbare mensen die continenten verlieten en zwarte zeeën trotseerden voor een betere toekomst.” (Blz. 11). De nalatenschap hiervan voelt hij. Hoewel hij meer mogelijkheden heeft dan zijn voorouders, merkt hij dat de trauma’s van onder andere contractarbeid zich diep in hem hebben geworteld. 

Ramjan vertelt hoe het verleden van contractarbeid zich manifesteert in het heden, in zijn leven: “Als mijn voorouders gedwongen arbeid konden doorstaan, dan moet ik toch zeker de kracht vinden om in de pen te klimmen en tegen de giftigheid van mijn werkveld op te staan?” (Blz. 41). Dit gevoel dat Ramjan omschrijft, vind ik tekenend voor het gevoel van altijd sterk moeten zijn. Als Ramjan zich uitspreekt tegen uitsluiting van genderdiverse mensen op zijn werk, wordt hem de rol van pleitbezorger toegeschreven. Hij vindt het belangrijk om zich uit te spreken tegen onrecht, maar het spreekt tegen een ander gevoel dat leeft bij Ramjan, namelijk dankbaarheid en gehoorzaamheid. Het vormt een innerlijke strijd. Aan de ene kant heeft hij het gevoel dat hij vooral dankbaar moet zijn voor z’n baan, want: “Als je zelden een kans krijgt, voelt elke mogelijkheid als iets uitzonderlijks: niet een recht, maar een gunst die wordt verleend.” (Blz. 44). Alleen kan de dankbaarheid die hij voelt niet ten koste gaan van zijn principes en morele kompas. Veel mensen zullen zich in deze uitdaging kunnen herkennen, omdat ruimte innemen lastig is in een wereld die je vertelt dat vooral niet te doen.

Een aanrader!

Voor de achterban van Hindostaans & Queer is het boek een bron van herkenning. Ramjan brengt werelden bij elkaar en omschrijft de obstakels die hij ervaart als Hindostaanse Queer. De sporen van het verleden stromen door in hem, hij draagt de last van intergenerationeel trauma. Hij voelt dat het nu aan hem is om die sporen te onderzoeken, te verbreden en nieuwe paden te creëren. Zodat hij paden kan vinden die niet beklemmen, maar juist bevrijden.

‘Nooit genoeg’ is daarom zeker een aanrader! Het leest niet alleen fijn, maar zet je aan het denken zonder dat je hoofd overuren draait. De dilemma’s die hij omschrijft zijn voor velen herkenbaar. Daarnaast is het een dun boek met minder dan 100 bladzijdes. Als dikke boeken voor jou een obstakel zijn, dan is dit een goede start. 

Ramjan haalt interessante literatuur aan in zijn zelfreflecties, als je dit boek uit hebt is er nog een lijst van boeken, artikelen en films die je verder kunnen inspireren. Ik heb in ieder geval weer wat nieuwe boeken, artikelen en films op mijn lees- en kijklijst gezet! 

Graag sluit ik af met de eindquote van Ramjan, als herinnering dat we ruimte mogen innemen en ruimte kunnen creëren waar die er nog niet is:

 “Tegen iedereen die ooit heeft gehoord ‘Doe normaal, dan doe je al gek genoeg’ zeg ik: ‘Wees nooit genoeg’.” (Blz. 93)


Arson Sadhoe (hen/hun, die/diens) is redactielid en social media redacteur bij Hindostaans & Queer. In het dagelijks leven is hen naast diens studie graag bezig met schilderen, schrijven, lezen, films kijken en nieuwe hobbies uitproberen.

Mijn phoewa, mijn familie, mijn ankers

Column door Patrick Somai

Beeld: Yasmin

Mijn phoewa – de zus van mijn vader- leerde me twee dingen die je nodig hebt in het leven: bhaitak gana dansen en hoe je een gebroken hart overleeft.

Na de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname in 1977 kwam ze bij haar oudste broer – mijn vader – in Den Haag wonen. Ik was nog een jongetje dat vooral bezig was met spelen en niet besefte wat een geschenk haar aanwezigheid was. Als de middelste van drie broers had ik een sterkere band met mijn broertje dan met mijn oudere broer. We konden immers samen spelen; mijn broer was zeven jaar ouder en met hele andere dingen bezig dan spelen.

Wat ik toen niet besefte, maar nu wel weet: mijn phoewa gaf me iets onbetaalbaars. In een cultuur waar jongens al vroeg in een mal geduwd worden – voetballen, stoer doen, vooral geen heupen bewegen – creëerde zij simpelweg ruimte. Ruimte om te dansen zoals ik wilde, om zacht te zijn, om anders te zijn zonder dat daar woorden aan hoefden te worden verspild. Geen verhitte discussies over mannelijkheid, geen bezorgde blikken over wat de gemeenschap zou denken, geen gefluister over ‘manai ka boli’. Gewoon: kom, ik leer je dansen.

En dan bedoel ik niet de ballroom en Latin American danslessen zoals ik die op latere leeftijd zou volgen. Nee, ik bedoel bhaitak gana – een dansstijl waar je echt los kunt gaan, waar heupen mogen bewegen en handgebaren niet vreemd zijn maar verwacht worden. Een dansstijl die niets te maken heeft met of je ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ genoeg bent, maar alles met of je de muziek voelt. Voor een jongen die langzaam ontdekte dat hij op jongens viel, was dat meer dan alleen maar dansen leren. Het was een eerste les in: je mag zijn wie je bent.

Bhaitak gana. Vertaald als zittende muziek. Een volksmuziek die de kantraki – de Hindostaanse contractarbeiders uit Brits-Indië (het huidige India) – zich in Suriname eigen maakten tijdens hun schaarse vrije uren. De ouderen speelden, zongen, en maakten er iets moois van in een tijd die niet altijd mooi was. Mijn ouders namen die traditie mee naar Nederland, samen met hun koffers en dromen. En omdat zij de eerste van de familie waren met een eigen huis in Den Haag, stroomde iedereen bij ons binnen: familie, vrienden, kennissen, buren.

Sowieso is mijn phoewa één van de weinige verbindingen die ik heb met dat stuk van mijn verleden: Mijn moeder en oudste broer zijn er niet meer en mijn vader woont in zijn eigen wereld. M’n phoewa kan zo fijn vertellen over vroeger wonen in de Obrechtstraat; verhalen over hoe ze stiekem op date ging, verhalen over mijn oudste broer en altijd liefkozend wanneer het over mijn moeder gaat. Veel herinneringen aan die tijd heb ik zelf niet – ze vertrok al snel om te trouwen. Maar één ding staat in mijn geheugen gegrift: zij heeft me de basis bijgebracht van dansen . En belangrijker nog: zij liet me zien dat familie er kan zijn, zonder voorwaarden.

Ik zie het nog voor me. Een bomvol huis. Mensen in de keuken, de slaapkamers, de tuin – overal. De muziek dreunde door de muren, de geur van eten vulde elk hoekje, en gedanst werd er tot je voeten pijn deden. En daar stond ik dan, een kleine jongen tussen al die volwassen lichamen, turend naar mijn phoewa die me liet zien hoe het moest. Met je heupen bewegen, handgebaren maken – het is vrij specifiek, best lastig eigenlijk. Maar ik vond het geweldig. Nog steeds trouwens. Als de muziek begint, gaat er iets in me los. Het prachtige van bhaitak gana is dat het klasse overstijgend is; als er bhaitak gana gedraaid wordt dansen Hindostaanse advocaten naast Hindostaanse schoonmakers. Hoe Nederlands we mogen zijn (verworden), een beetje bhaitak gana verbroedert!

Jaren later, toen ik net achttien was geworden en dacht dat ik alles wist over de wereld, brak mijn hart voor de allereerste keer. Mijn eerste liefde maakte het uit. Een jongen natuurlijk, al durfde ik dat nog aan weinig mensen te vertellen. Ik wist niks van de liefde, laat staan wat een gebroken hart was. Maar jeetje, wat had ik een gebroken hart.

En weet je wat het mooie was? Mijn phoewa vroeg niet naar details die ik niet wilde geven. Ze vroeg niet “wie was het dan?” alsof ze bevestiging zocht van wat ze allang wist. Ze deed niet alsof het een fase was of iets tijdelijks waar ik wel overheen zou komen. Ze deed waar familie voor is: ze was er. Met een troostende schouder, luisterende oren, en woorden die het net iets dragelijker maakten.

Die acceptatie – die vanzelfsprekende, onvoorwaardelijke acceptatie – is alles wat een queer Hindostaan nodig heeft maar niet altijd krijgt. Want laten we eerlijk zijn: onze gemeenschap kan prachtig zijn in verbondenheid, maar kan ook verstikkend klein aanvoelen wanneer je niet in het plaatje past dat voor je bedacht is. Wanneer je bang bent voor het gefluister, voor de teleurstelling in de ogen van je ouders, voor de vragen tijdens bruiloften waarom je nog steeds alleen bent.

Mijn phoewa heeft me nooit die angst gegeven. Integendeel, ze heeft me laten zien dat familie er juist kan zijn om die angst kleiner te maken. Door gewoon aanwezig te zijn, zonder oordeel. Door te luisteren naar liefdesverdriet zonder te vragen over het geslacht van degene die je hart brak. Door je te leren dansen zonder je voor te schrijven hoe een man hoort te bewegen.

En ik ben reuzeblij – nee, oprecht gelukkig – dat mijn phoewa een geweldige man heeft getroffen. Iemand met wie ze zeer gelukkig is. Want als er iemand geluk verdient, dan is zij het wel.

Maar vooral ben ik dankbaar. Dankbaar voor de ruimte die ze me gaf toen ik klein was. Dankbaar voor de acceptatie die ze me gaf toen ik achttien was. En dankbaar dat ze me heeft laten zien hoe familie eruit kan zien: niet als een keurslijf van verwachtingen, maar als een veilige haven waar je gewoon jezelf mag zijn.

Want uiteindelijk leerde mijn phoewa me niet alleen bhaitak gana dansen en hoe je een gebroken hart overleeft. Ze leerde me dat er binnen onze gemeenschap ruimte is voor ons allemaal – als we maar de moed hebben die ruimte op te eisen en de wijsheid om elkaar daarin te steunen.


Patrick Somai (hij/hem) is docent. Als fashionista houdt hij van de pracht en praal van de diverse kleding op o.a. shaadi’s (hindoebruiloft, ook bekend als biya, vivaah). Hij doet zijn eigen onderzoek naar traditionele Hindostaanse kleding, dat geeft hem joy. Patrick heeft een unisex kledingstuk ontwikkeld, gebaseerd op het wikkelen van de sari met elementen van de dhoti.

Een ode aan zij die mij voor gingen

Persoonlijke essay door Asa

Illustratie: Asa
Omschrijving van de illustratie: Een uiting van de boom die door zij die ons voorgingen is geplant. Een boom die door de generaties daarna is verzorgd en waar nu de vruchten van geplukt kunnen worden. De boom staat symbool voor de strijd voor queerrechten. Een strijd die veel heeft opgeleverd, maar nog steeds hard nodig is. 

Het is zondagmiddag en ik luister naar de radio. Daar hoor ik Ashwin, namens Hindostaans & Queer is hij te gast bij Sunrise FM. Ik luister niet vaak naar Hindostaanse radio, maar dit wil ik niet missen. Bij m’n adji thuis staat Amor FM, een andere Hindostaanse radiozender, al sinds ik me kan herinneren altijd aan. De bekende commercials en liedjes geven me het gevoel van thuiskomen. Het programma begint. Met kracht hoor ik Ashwin zijn verhaal vertellen over een zware reis naar zelfacceptatie. Ik luister met trots naar zijn oproep aan de Hindostaanse gemeenschap: “Ga het gesprek aan met je kinderen, laat ze weten dat ze er mogen zijn. Praat liefdevol over queer mensen, daar begint het mee.” Een oproep die ik zou willen delen met de wereld en waarvan ik hoop dat iedereen die meeluisterde het zal herhalen.

Zelfacceptatie

Door zijn verhaal denk ik terug aan mijn eigen ervaringen met zelfacceptatie, die op z’n zachts gezegd heel ingewikkeld waren. Ik herinner me de dagen waar ik bijna elke nacht moest huilen, omdat ik het toekomstbeeld dat mijn ouders voor mij hadden niet kon waarmaken. Het was een tijd waarin ik zwaar worstelde met mezelf en liever niet aan terug denk. Als ik dacht aan m’n toekomst dan kon ik me er niks bij voorstellen. Het voelde alsof mijn wereld eindigde. 

Als kind werd ik mijn hele jeugd gepest om mijn uiterlijk. Als resultaat hiervan was ik altijd heel erg bezig met mijn uiterlijk en zo ‘normaal’ mogelijk gevonden worden. Ik wilde inblenden en vooral niet anders zijn of opvallen. Ik verborg mezelf en deed mezelf voor als iemand die ver af lag van hoe ik echt ben. Niet alleen qua gedrag paste ik mezelf aan, maar ook qua uiterlijk. Ik deed mijn best om zoveel mogelijk op de meisjes in m’n klas te lijken. Een herinnering die naar boven komt is de dag dat ik als 10-jarig kind met een pleister op mijn bebloede bovenlip naar school kwam, na de zoveelste keer gewezen te worden op mijn snor besloot ik dat het tijd was om het weg te scheren zonder te weten hoe een scheermes eigenlijk werkt. 

Dat masker dat ik toen ophield voelde ergens wel echt, ik was er na er jaren mee te leven zo comfortabel mee geworden. Pas later besefte ik me dat ik niet wist wie ik was zonder dat masker. Ik had het ervoor over om mezelf compleet kwijt te raken als dat betekende dat ik erbij kon horen. Alleen was het nooit genoeg, hoe erg ik me best ook deed om erbij te horen werd ik er toch elke keer weer op gewezen dat ik anders was. 

In mijn pubertijd begon ik me steeds meer te realiseren dat ik niet hetero ben. Ik merkte dat ik me kon herkennen in andere queer personen, op tv en in mijn omgeving. Ook begon ik mij rond m’n 15de steeds meer te realiseren dat ik me eigenlijk geen meisje voelde, maar dat wilde ik nog niet onder ogen komen. Mijn queerness voelde als nog iets dat mij anders maakte, dus verborg ik het.

Met hard werk heb ik dat masker waar ik me achter verschuilde deels kunnen loslaten. Het werkte toch niet en bovendien voelde ik me er verloren door en diep ongelukkig. Dit deed ik niet alleen, maar met de hulp van een therapeut. Ik moest opnieuw opzoek naar mezelf. Voor mij betekende dat ook mijn queerness onder ogen komen.

Waar ik mijn genderidentiteit eerder niet onder ogen durfde te komen, had ik me voorgenomen om dat toch te proberen. Het was de tijd van de lockdowns en ergens gaf het me de veiligheid om zonder de mening van anderen naar mezelf te kijken. Het gaf me de tijd om te ontdekken wie ik ben. Ik experimenteerde met mijn look, van lang haar tot m’n heupen tot haar dat zo kort is dat ik de wind op m’n hoofd voel. Sommige dagen tekende ik wat haartjes bij mijn snor, dezelfde snor waarmee ik vroeger jarenlang ben gepest bracht mij nu een gevoel van euforie. Als mijn vader niet thuis was trok ik stiekem zijn pakken aan en staarde ik naar mezelf in de spiegel. Door middel van zelfexpressie kon ik uiten hoe ik me van binnen voelde. Ik las boeken die net leken alsof het over mij geschreven was (boeken als: ‘I wish you all the best’ en ‘X alles of niets’) . En vond herkenning in de verhalen van nonbinaire personen (mensen als: Alok Vaid-Menon en Nanoah Struik). Queer zijn heeft mij een vrijheid gegeven die ik nooit eerder had ervaren. Ik heb kunnen ontdekken wie ik ben en leerde dat er altijd nog ruimte is om jezelf verder te ontdekken. Ik kom elke dag weer nieuwe dingen over mezelf te weten, en voel steeds meer ruimte om dat te ontdekken. Het geeft me het gevoel dat ik leef. 

Soms denk ik bij mezelf hoeveel makkelijker het leven geweest zou zijn als ik hetero en cisgender zou zijn. Aan de andere kant, zou het me ook veel kosten.

Gezien worden

Ik ben dichter bij mezelf gekomen, maar deze versie van mezelf deel ik niet met iedereen. Bijvoorbeeld niet met mijn familie, voor nu voel ik daar de ruimte niet voor. Toen ik 16 was vertelde ik aan mijn ouders dat ik nonbinair ben. Sindsdien is de relatie met mijn ouders erg verslechterd en kan ik niet zeggen dat er sprake is van volledige acceptatie, ook bijna 6 jaar later niet. Die acceptatie die ik daar niet heb kunnen vinden, heb ik wel kunnen vinden op veel andere plekken. Het vult niet het gat van de acceptatie dat ik wil van mijn familie, maar het staat naast elkaar. Eigenlijk leef ik in twee werelden. Eentje waar men mij alleen bij mij geboortenaam kent en als hetero, cisgender en gelukkig ziet. En de ander waar ik echt geluk ervaar, mijn gekozen naam draag, en waar ik mijn nonbinaire en queer identiteit uitdraag. De twee werelden liggen ver uit elkaar, maar ik draag ze beide. Het masker waarvan ik zo graag afscheid wil nemen, beschermd mij van afwijzing en ontneemt me ook de kans om gezien te worden. 

Het moeten leven in twee werelden is zwaar en wens ik niemand toe. Het is iets dat ik nu doe om te overleven, maar ik begin steeds meer te realiseren dat ik mag gaan beginnen met leven. Wat mij helpt in mijn proces van zelfacceptatie is mensen ontmoeten zoals ik. Mezelf omringen met andere queer personen, met allemaal andere ervaringen en andere identiteiten, bij wie ik herkenning vind. Toen ik begon met studeren begon ik met wat voelde als een nieuw leven. Ik liet mensen toe in de wereld waarin ik mezelf ben en gaf mezelf de kans om gezien te worden. Niet iedereen zag mij gelijk voor wie ik ben, voor velen van mijn medestudenten was het de eerste keer dat ze een nonbinair persoon leerde kennen. Soms hebben dingen tijd nodig, en volgt die acceptatie later en soms volgt het niet. Dan denk ik terug aan zij die mij voor gingen en te maken hadden met zoveel onbegrip, maar hun toch thuis vonden. 

Zij die mij voor gingen

In tv series zag ik voor de eerste keer queer mensen in wie ik me kon herkennen. En later waren het queer mensen in mijn omgeving in wie ik me kon herkennen, van klasgenoten tot leraren. Op het internet maakte ik kennis met een queer gemeenschap die zo rijk is. En leerde ik over de geschiedenis van de gemeenschap. Toen ik achttien was maakte ik kennis met Hindostaans & Queer. Daar ontmoette ik mensen die ouder waren en was ikvaak de jongste in de ruimte, ik leerde mensen kennen die net als ik Hindostaans en Queer zijn. Waar het vroeger voelde alsof de wereld verging, voelde het nu alsof er een nieuwe wereld openging. Het zien van oudere Hindostaanse queer personen heelde iets in mij. Ik luisterde naar de verhalen van mensen als Lionel Johkoe, die SUHO (Surinaamse Homofielen) oprichtte in de jaren 80. Hij is ouder dan ik mezelf ooit zag worden en bovendien: hij is zichzelf. Ook leerde ik in een boek dat nonbinaire mensen altijd al hebben bestaan, in velen culturen. Dat verrijkte mijn bestaan. Het voelt soms nog alsof ik de eerste ben die dit allemaal meemaakt, maar er zijn mij velen voorgegaan.

Ik breng een ode aan allen die mij voor gingen. Die jarenlang hebben geworsteld met zichzelf, zijn uitgesloten door hun gemeenschap en veel moeite hebben gedaan om zichzelf te kunnen accepteren. Een ode aan allen die hun ware zelf nooit met de wereld hebben kunnen delen. Zij die streden voor hun rechten en waarmee ze streden voor ons allemaal. En daar sta ik dan, ik kan de vruchten plukken van de boom die zij hebben geplant en hebben verzorgd. Het voelt alsof het mijn beurt is om die boom ook te verzorgen.


Geschreven door Asa (hen/hun, die/diens)

*Asa is een pseudoniem

Vacature: Projectleider algemeen

Over ons:
Stichting Hindostaans & Queer zet zich in voor de acceptatie, emancipatie en representatie van Hindostaanse queer personen. Wij streven naar een wereld waarin Hindostaanse queer mensen vrijelijk hun veelzijdige identiteit kunnen claimen en vieren. Dit doen we door middel van community-emancipatie en outreach-activiteiten, waarbij intersectionaliteit en solidariteit met andere gemarginaliseerde groepen centraal staan.

Wat ga je doen?
Als projectleider help je ons met projecten die bijdragen aan onze missie. Zelfstandig ga je aan de slag met een afgebakend project om de stichting vooruit te helpen. Wij hebben bijvoorbeeld de wens om de ANBI status te verkrijgen en graag zetten we een voorlichtingspakket op om mensen bewustzijn en kennis bij te brengen over Hindostaans & Queer zijn.

Jouw taken:

  • Met team H&Q het project afstemmen: wat moet gedaan worden en wat past binnen jouw tijd.
  • Contact onderhouden met het team over de voortgang.
  • Zorgen voor een soepel verloop van het project.

Wij zoeken iemand die:

  • Affiniteit heeft met de missie en visie van Hindostaans & Queer.
  • Enthousiast en creatief is.
  • Goed kan samenwerken en flexibel is.
  • Oog heeft voor overzicht, detail en planning.

Wat bieden wij:

  • Een bijdrage leveren aan de missie en visie van Hindostaans & Queer:
    Visie
    Hindostaans & Queer streeft naar een wereld waar Hindostaanse queer mensen vertegenwoordigd zijn en in vrijheid de veelzijdigheid van hun identiteit claimen en vieren.
    Missie
    Bevorderen van acceptatie, emancipatie en representatie van Hindostaanse queer mensen. Dit doet Hindostaans & Queer vanuit intersectionaliteit en solidariteit naar andere gemarginaliseerde groepen.
  • Werken met een fijn team
  • Uitbreiding van je Hindostaanse queer netwerk en netwerk van andere organisaties
  • Een mooie uitbreiding van je CV qua competenties 

We nodigen alle geïnteresseerden in deze functie uit om te solliciteren, met name trans en Islamitische mensen.

Ben jij de projectleider waar wij naar op zoek zijn? Stuur je CV en motivatie naar contact@hindostaansenqueer.nl. Ook voor vragen of toelichtingen kun je gerust een mailtje of berichtje sturen. Ben je benieuwd naar het huidige team? Klik hier om meer te lezen over hen.

Team Hindostaans & Queer