Column door Patrick Somai

Mijn phoewa – de zus van mijn vader- leerde me twee dingen die je nodig hebt in het leven: bhaitak gana dansen en hoe je een gebroken hart overleeft.
Na de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname in 1977 kwam ze bij haar oudste broer – mijn vader – in Den Haag wonen. Ik was nog een jongetje dat vooral bezig was met spelen en niet besefte wat een geschenk haar aanwezigheid was. Als de middelste van drie broers had ik een sterkere band met mijn broertje dan met mijn oudere broer. We konden immers samen spelen; mijn broer was zeven jaar ouder en met hele andere dingen bezig dan spelen.
Wat ik toen niet besefte, maar nu wel weet: mijn phoewa gaf me iets onbetaalbaars. In een cultuur waar jongens al vroeg in een mal geduwd worden – voetballen, stoer doen, vooral geen heupen bewegen – creëerde zij simpelweg ruimte. Ruimte om te dansen zoals ik wilde, om zacht te zijn, om anders te zijn zonder dat daar woorden aan hoefden te worden verspild. Geen verhitte discussies over mannelijkheid, geen bezorgde blikken over wat de gemeenschap zou denken, geen gefluister over ‘manai ka boli’. Gewoon: kom, ik leer je dansen.
En dan bedoel ik niet de ballroom en Latin American danslessen zoals ik die op latere leeftijd zou volgen. Nee, ik bedoel bhaitak gana – een dansstijl waar je echt los kunt gaan, waar heupen mogen bewegen en handgebaren niet vreemd zijn maar verwacht worden. Een dansstijl die niets te maken heeft met of je ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ genoeg bent, maar alles met of je de muziek voelt. Voor een jongen die langzaam ontdekte dat hij op jongens viel, was dat meer dan alleen maar dansen leren. Het was een eerste les in: je mag zijn wie je bent.
Bhaitak gana. Vertaald als zittende muziek. Een volksmuziek die de kantraki – de Hindostaanse contractarbeiders uit Brits-Indië (het huidige India) – zich in Suriname eigen maakten tijdens hun schaarse vrije uren. De ouderen speelden, zongen, en maakten er iets moois van in een tijd die niet altijd mooi was. Mijn ouders namen die traditie mee naar Nederland, samen met hun koffers en dromen. En omdat zij de eerste van de familie waren met een eigen huis in Den Haag, stroomde iedereen bij ons binnen: familie, vrienden, kennissen, buren.
Sowieso is mijn phoewa één van de weinige verbindingen die ik heb met dat stuk van mijn verleden: Mijn moeder en oudste broer zijn er niet meer en mijn vader woont in zijn eigen wereld. M’n phoewa kan zo fijn vertellen over vroeger wonen in de Obrechtstraat; verhalen over hoe ze stiekem op date ging, verhalen over mijn oudste broer en altijd liefkozend wanneer het over mijn moeder gaat. Veel herinneringen aan die tijd heb ik zelf niet – ze vertrok al snel om te trouwen. Maar één ding staat in mijn geheugen gegrift: zij heeft me de basis bijgebracht van dansen . En belangrijker nog: zij liet me zien dat familie er kan zijn, zonder voorwaarden.
Ik zie het nog voor me. Een bomvol huis. Mensen in de keuken, de slaapkamers, de tuin – overal. De muziek dreunde door de muren, de geur van eten vulde elk hoekje, en gedanst werd er tot je voeten pijn deden. En daar stond ik dan, een kleine jongen tussen al die volwassen lichamen, turend naar mijn phoewa die me liet zien hoe het moest. Met je heupen bewegen, handgebaren maken – het is vrij specifiek, best lastig eigenlijk. Maar ik vond het geweldig. Nog steeds trouwens. Als de muziek begint, gaat er iets in me los. Het prachtige van bhaitak gana is dat het klasse overstijgend is; als er bhaitak gana gedraaid wordt dansen Hindostaanse advocaten naast Hindostaanse schoonmakers. Hoe Nederlands we mogen zijn (verworden), een beetje bhaitak gana verbroedert!
Jaren later, toen ik net achttien was geworden en dacht dat ik alles wist over de wereld, brak mijn hart voor de allereerste keer. Mijn eerste liefde maakte het uit. Een jongen natuurlijk, al durfde ik dat nog aan weinig mensen te vertellen. Ik wist niks van de liefde, laat staan wat een gebroken hart was. Maar jeetje, wat had ik een gebroken hart.
En weet je wat het mooie was? Mijn phoewa vroeg niet naar details die ik niet wilde geven. Ze vroeg niet “wie was het dan?” alsof ze bevestiging zocht van wat ze allang wist. Ze deed niet alsof het een fase was of iets tijdelijks waar ik wel overheen zou komen. Ze deed waar familie voor is: ze was er. Met een troostende schouder, luisterende oren, en woorden die het net iets dragelijker maakten.
Die acceptatie – die vanzelfsprekende, onvoorwaardelijke acceptatie – is alles wat een queer Hindostaan nodig heeft maar niet altijd krijgt. Want laten we eerlijk zijn: onze gemeenschap kan prachtig zijn in verbondenheid, maar kan ook verstikkend klein aanvoelen wanneer je niet in het plaatje past dat voor je bedacht is. Wanneer je bang bent voor het gefluister, voor de teleurstelling in de ogen van je ouders, voor de vragen tijdens bruiloften waarom je nog steeds alleen bent.
Mijn phoewa heeft me nooit die angst gegeven. Integendeel, ze heeft me laten zien dat familie er juist kan zijn om die angst kleiner te maken. Door gewoon aanwezig te zijn, zonder oordeel. Door te luisteren naar liefdesverdriet zonder te vragen over het geslacht van degene die je hart brak. Door je te leren dansen zonder je voor te schrijven hoe een man hoort te bewegen.
En ik ben reuzeblij – nee, oprecht gelukkig – dat mijn phoewa een geweldige man heeft getroffen. Iemand met wie ze zeer gelukkig is. Want als er iemand geluk verdient, dan is zij het wel.
Maar vooral ben ik dankbaar. Dankbaar voor de ruimte die ze me gaf toen ik klein was. Dankbaar voor de acceptatie die ze me gaf toen ik achttien was. En dankbaar dat ze me heeft laten zien hoe familie eruit kan zien: niet als een keurslijf van verwachtingen, maar als een veilige haven waar je gewoon jezelf mag zijn.
Want uiteindelijk leerde mijn phoewa me niet alleen bhaitak gana dansen en hoe je een gebroken hart overleeft. Ze leerde me dat er binnen onze gemeenschap ruimte is voor ons allemaal – als we maar de moed hebben die ruimte op te eisen en de wijsheid om elkaar daarin te steunen.
Patrick Somai (hij/hem) is docent. Als fashionista houdt hij van de pracht en praal van de diverse kleding op o.a. shaadi’s (hindoebruiloft, ook bekend als biya, vivaah). Hij doet zijn eigen onderzoek naar traditionele Hindostaanse kleding, dat geeft hem joy. Patrick heeft een unisex kledingstuk ontwikkeld, gebaseerd op het wikkelen van de sari met elementen van de dhoti.





